„Natuurlijk.” Hij keek eerst naar de tuin. „Ik heb besloten om mijn motor te verkopen.” Ik keek verbaasd. „Waarom?” Hij haalde zijn schouders op. „Omdat ik hem eigenlijk alleen gebruikte om indruk te maken. Ik vond het belangrijk dat mensen naar me keken. Dat ze dachten dat ik sterk was, dat ik geld had, dat ik nergens bang voor was.” Hij keek naar zijn handen. „Maar eigenlijk was ik gewoon onzeker.” Ik zei niets. Hij vervolgde: „Na alles wat er is gebeurd, ben ik gaan nadenken over mijn vader. Hij kan alles voor me betalen. Reparaties, boetes, zelfs juridische kosten. Mijn hele leven dacht ik dat geld betekende dat je geen gevolgen hoefde te accepteren.” Hij keek me aan. „Maar u liet me zien dat dat niet waar is.” Ik glimlachte. „Ik heb je niets laten zien. Jij hebt ervoor gekozen om het te begrijpen.” Hij knikte. „Misschien.” Hij haalde toen iets uit zijn jaszak. Een klein envelopje. „Dit is voor u.” Ik opende het. Er zat geld in. „Wat is dit?” „Voor de bloemen.” Ik schudde mijn hoofd. „Thomas, je hebt de hele tuin opnieuw aangelegd.” „Ik weet het. Maar dit is niet voor de planten.” Hij keek naar mijn voordeur. „Ik heb uw man nooit gekend. Maar ik weet inmiddels hoeveel deze tuin voor u betekent. Ik wilde iets doen waardoor zijn herinnering hier kan blijven.” Ik begreep niet wat hij bedoelde. Tot hij me naar de auto van zijn vader bracht. Achterin lag een kleine stenen bank. Hij had hem laten maken. Op de rugleuning stond een eenvoudige inscriptie: **„Voor altijd geliefd, voor altijd herinnerd.”** Mijn ogen vulden zich met tranen. „Thomas…” „U hoeft niets te zeggen.” Maar ik kon niets anders doen dan hem omhelzen. Hij verstijfde eerst even van verrassing, waarna hij voorzichtig zijn armen om mij heen sloeg. „Dank je,” fluisterde ik. „Nee,” zei hij zacht. „Dank ú.” Die middag plaatsten we samen het bankje onder de boom naast mijn bloembed. Ik ging zitten en keek naar de bloemen. Voor het eerst voelde ik niet langer alleen verdriet wanneer ik aan mijn man dacht. Er was iets nieuws bij gekomen. Dankbaarheid. Want hoewel zijn dood mij jaren geleden een leegte had gegeven, had zijn tuin mij uiteindelijk verbonden met iemand van wie ik nooit had gedacht dat hij ooit iets voor mij zou betekenen. Een jongen die ooit mijn bloemen vernielde, was uiteindelijk degene geworden die hielp hun betekenis te bewaren. Een paar weken later kwam Thomas met nog een verrassing. Hij had op de universiteit een groep studenten gevraagd om op zaterdag vrijwillig te helpen met het opknappen van enkele voortuinen van oudere mensen in onze buurt. Mevrouw De Vries deed mee. Meneer Jansen ook. Langzaam werd onze straat groener. En rustiger. Op de eerste zaterdag dat ze allemaal bezig waren, keek ik vanuit mijn keukenraam naar buiten. Thomas stond midden op straat met een schop in zijn hand. Hij lachte met de andere jongeren. Zijn motor stond geparkeerd. Stil. Ik glimlachte. Toen liep ik naar buiten. „Thomas!” Hij draaide zich om. „Ja?”
Hij Lachte om Mijn Bloemen — Tot de Volgende Ochtend