Daan stond voor de spiegel zijn stropdas recht te trekken.
‘Het zijn belangrijke mensen, Marieke.’
‘Ik voel me echt niet goed.’
‘Je hoeft alleen maar aan tafel te zitten.’
Ik keek naar zijn spiegelbeeld.
‘Dat klinkt alsof je een stoel nodig hebt, geen echtgenote.’
Hij draaide zich om.
‘Kunnen we vanavond alsjeblieft geen ruzie maken?’
Ik ging toch.
Tijdens het diner merkte ik dat Victor me voortdurend bestudeerde.
Hij was 45, droeg een horloge dat waarschijnlijk meer kostte dan mijn eerste auto en sprak tegen het personeel alsof ze meubels waren.
Toen Daan de wijn inschonk, lachte Victor.
‘Het is toch nog goed gekomen met onze Daan.’
Olivier gaf hem onder tafel een trap tegen zijn schoen.
Ik zag het.
‘Wat bedoel je?’ vroeg ik.
Victor hief zijn glas.
‘Dat hij eindelijk volwassen is geworden.’
Daan glimlachte niet.
Later die avond ging ik naar boven om mijn medicatie in te nemen.
Toen ik terugliep, hoorde ik stemmen vanuit de werkkamer.
De deur stond op een kier.
‘Je bent bijna twee jaar verder,’ zei Olivier. ‘Victor gaat echt niet eeuwig wachten.’
‘Het maakt niet uit,’ antwoordde Daan. ‘Ik heb binnenkort haar handtekening.’
‘En als ze weigert?’
‘Dan overtuig ik haar wel.’
Er klonk een glas dat op een bureau werd neergezet.
Victor lachte.
‘Je hebt destijds honderdduizend euro ingezet op een vrouw die niet eens naar je omkeek. Ik dacht dat je na drie maanden zou opgeven.’
Mijn hand bleef op de deurpost rusten.
Honderdduizend euro.
Een vrouw die niet naar hem omkeek.
Daan zei niets.
Victor ging verder.
‘Maar goed, je hebt haar getrouwd. Technisch gezien heb je gewonnen.’
Mijn adem stokte.
‘Hou je mond,’ zei Daan.
‘Waarom? Ze is boven.’
Ik stond drie meter van hen vandaan.
‘Ze was altijd zo trots op haar onafhankelijkheid,’ zei Victor. ‘En nu woont ze in jouw huis en doet ze wat je vraagt.’
‘Ze doet helemaal niet wat ik vraag,’ antwoordde Daan.
Olivier zuchtte.
‘En dat is precies ons probleem.’
Een paar seconden hoorde ik niets anders dan het tikken van een klok.
Daarna zei Victor iets wat ik nooit zal vergeten.
‘Vertel haar gewoon dat ze haar onderneming moet inbrengen. Ze is toch verliefd op je?’
Mijn onderneming.
Ik was mede-eigenaar van een kleine financiële adviesvennootschap die ik samen met een voormalige collega had opgericht. Daarnaast bezat ik via die vennootschap een minderheidsbelang in een vastgoedfonds dat jaren eerder grondposities had verworven.
Ik had Daan nooit alle details verteld.
Niet omdat ik hem wantrouwde, maar omdat onze zakelijke bezittingen strikt gescheiden waren.
Plotseling voelde ik me misselijk.
Ik wilde wegstappen, maar de vloer leek onder mijn voeten te bewegen.
Ik greep naar de deurpost.
Binnen zei Daan:
‘Als ze nu doodgaat, heb ik mijn weddenschap gewonnen én ben ik van haar af.’
Victor lachte kort.
‘Dat meen je niet.’
‘Natuurlijk meen ik dat niet,’ zei Daan geïrriteerd.
Maar het was te laat.
Ik had het gehoord.
Ik probeerde zijn naam uit te spreken.
Er kwam nauwelijks geluid uit mijn mond.
Toen verloor ik mijn evenwicht.
Mijn schouder raakte de muur. Ik viel op mijn knieën en vervolgens op mijn zij.
Ik herinner me de koude vloer tegen mijn wang.
Daarna hoorde ik voetstappen.
‘Marieke?’
Het was Daan.
Hij knielde naast me.
Ik zag zijn gezicht, maar kon mijn ogen niet scherpstellen.
‘Wat heb je gedaan?’ fluisterde ik.
Zijn mond bewoog.
Er kwam geen antwoord dat ik kon verstaan.
Ik werd wakker in een ziekenhuiskamer.
Er zat een infuus in mijn arm en ik had een zuurstofslangetje onder mijn neus.
Mijn moeder zat naast het bed.
Ze was 68, had haar grijze haar slordig vastgebonden en droeg nog dezelfde jas die ik haar vorig jaar voor haar verjaardag had gegeven.
Toen ik mijn ogen opende, legde ze haar hand op mijn voorhoofd.
‘Meisje toch.’
‘Hoe lang?’
‘Drie dagen.’
Ik probeerde rechtop te komen.
‘Daan?’
Ze keek weg.
‘Hij is hier geweest.’
Er viel een stilte.
‘Waarom kijkt u zo?’
Mijn moeder streek de deken glad.
‘Omdat hij mij vroeg of jij de afgelopen maanden psychische problemen had.’
Ik staarde haar aan.
‘Wat?’
‘Hij zei dat je overspannen was, dat je soms dingen verkeerd begreep.’
Mijn mond werd droog.
Even later kwam dokter Van Leeuwen binnen, de internist die mij behandelde.
Hij legde uit dat ik een ernstige bloeding in mijn maag-darmkanaal had gehad, met een gevaarlijk laag hemoglobinegehalte. Ik had bloedtransfusies gekregen en een behandeling om de bloeding te stoppen.
‘Als de hulp later was gekomen, had het heel anders kunnen aflopen,’ zei hij.
‘Heeft mijn man de ambulance gebeld?’
De arts keek in mijn dossier.
‘Volgens de overdracht heeft een van de aanwezige gasten 112 gebeld.’
Mijn moeder pakte mijn hand steviger vast.
Later ontdekte ik dat die gast Olivier was geweest.
Daan had aanvankelijk gedacht dat ik flauwviel door stress.
Pas toen Olivier zag dat ik niet reageerde, had hij de hulpdiensten gebeld.
Die avond kwam Daan naar het ziekenhuis.
Hij droeg een donkerblauw pak en had een bos bloemen bij zich.
Ik keek naar zijn handen.
Dezelfde handen waarmee hij tijdens ons huwelijk mijn trouwring had vastgehouden.
‘Je hebt me laten schrikken,’ zei hij.
Ik antwoordde niet.
Hij ging zitten.
‘De arts zegt dat je goed herstelt.’
‘Wat was de weddenschap, Daan?’
Zijn gezicht veranderde nauwelijks.
Alleen zijn vingers sloten zich iets steviger om de bloemen.
‘Waar heb je het over?’