Deel 2 — De avond waarop Daan ontdekte hoeveel ik werkelijk „niets” deed
De volgende avond hoorde ik om precies kwart over zes Daans sleutel in het slot.
Ik zat op de bank met mijn gebroken arm op een kussen.
Voor het eerst sinds de geboorte van onze zoontjes was het huis stil.
Geen huilende baby’s.
Geen flesjes op het aanrecht.
Geen stapel hydrofiele doeken op de eettafel.
Geen speelgoed op het vloerkleed.
Zelfs de twee kinderwagens stonden niet in de hal.
Daan kwam binnen, gooide zijn autosleutels in het schaaltje bij de deur en trok zijn jas uit.
„Wat eten we?”
Dat waren zijn eerste woorden.
Niet: hoe gaat het met je arm?
Niet: hoe waren de jongens vandaag?
Niet eens: waar zijn de baby’s?
„Goedenavond voor jou ook,” zei ik.
Hij zuchtte.
„Ik heb een lange dag gehad.”
„Dat geloof ik.”
Hij liep richting keuken.
Halverwege stopte hij.
Ik zag het moment waarop de stilte eindelijk tot hem doordrong.
Hij draaide zich om.
„Waar zijn de jongens?”
„Bij mijn moeder.”
Zijn gezicht ontspande zich onmiddellijk.
„Mooi. Dan kunnen we eindelijk eens rustig eten.”
„Nee.”
„Nee?”
„Er is geen eten.”
Hij keek naar de keuken.
„Heb je niet gekookt?”
„Nee.”
Zijn wenkbrauwen gingen omhoog.
„Waarom niet?”
Ik keek naar mijn ingegipste arm.
Hij volgde mijn blik.
„Je kunt toch met één hand iets maken?”
Ik glimlachte.
Dat was het moment waarop ik wist dat ik absoluut geen schuldgevoel hoefde te hebben over wat ik ging doen.
„Waarschijnlijk.”
„Dus?”
„Ik had er geen zin in.”
Hij keek me aan alsof ik zojuist had gezegd dat ik het huis had verkocht.
„Wat bedoel je?”
„Precies wat ik zeg.”
Ik stond langzaam op.
Op tafel lag een bruine envelop.
Ik pakte hem met mijn goede hand en hield hem naar hem uit.
„Dit is voor jou.”
Daan keek naar de envelop.
„Wat is dit?”
„Maak maar open.”
Hij rukte hem bijna uit mijn hand.
Er zaten vier dingen in.
Een lijst.
Een kalender.
Een berekening.
En een brief.
Hij keek eerst naar de lijst.
Bovenaan stond:
Alles wat er dagelijks voor onze kinderen moet gebeuren.
Daaronder had ik iedere taak opgeschreven.
Flesjes klaarmaken.
Voeden.
Boeren laten.
Luiers verschonen.
Kleding wassen.
Babybedjes verschonen.
Steriliseren.
Kolven.
Afwas.
Boodschappen.
Wandelen.
Afspraken bij het consultatiebureau.
Medicijnen en vitamines.
Badderen.
Nageltjes knippen.
Troosten.
In slaap wiegen.
‘s Nachts opstaan.
Bijhouden wanneer ze voor het laatst hadden gegeten.
Controleren of er genoeg luiers waren.
Controleren of er genoeg flesvoeding en verzorgingsproducten waren.
Was opvouwen.
Speelgoed schoonmaken.
En nog tientallen kleine dingen die Daan nooit zag omdat ze altijd al gedaan waren voordat hij erover hoefde na te denken.
Hij bladerde verder.
„Wat is dit?”