De rechercheur kwam twee dagen later bij mijn bed zitten.
Ze stelde zich voor als Van Loon en vroeg eerst hoe helder ik me voelde.
‘Helder genoeg.’
Mijn hele lichaam deed pijn.
Mijn rechterschouder zat in een mitella, mijn ribben waren gekneusd en ik had een hersenschudding.
Maar mijn knie — ironisch genoeg het lichaamsdeel dat Martijn maandenlang als een last had behandeld — was niet ernstiger beschadigd dan vóór de val.
Ik leefde.
Dat was blijkbaar precies het probleem geweest.
‘Uw man zegt dat uw rolstoel per ongeluk begon te rollen,’ zei rechercheur Van Loon.
Ik keek haar aan.
‘Hij heeft me geduwd.’
‘Dat weten we.’
Die twee woorden kwamen zo snel dat ik even niets zei.
‘Hoe?’
Ze schoof haar stoel dichterbij.
‘Er liep ongeveer vijftig meter achter jullie een man met zijn hond. Hij zag dat uw man stopte bij de rand. Hij zag hem zich naar u toe buigen. En hij zag hem daarna met beide handen kracht zetten tegen de handgrepen.’
Mijn ogen begonnen te branden.
Een vreemde.
Een volslagen vreemde was de reden dat mijn laatste minuten op die heuvel niet alleen mijn woord tegen dat van Martijn waren.
‘Hij heeft meteen 112 gebeld,’ ging ze verder. ‘Maar dat is niet alles.’
Mijn rolstoel was niet helemaal tot beneden doorgeschoten.
Na ongeveer twintig meter was het rechterwiel tegen een lage stalen afscheiding van een onderhoudspad gebotst.
De stoel was omgeslagen.
Ik lag ernaast.
Bewusteloos, maar levend.
Martijn had vanaf boven blijkbaar gezien dat ik nog bewoog.
‘De getuige zag uw man over de houten afzetting klimmen,’ zei Van Loon.
Ik voelde mijn maag samentrekken.
‘Om mij te helpen?’
De rechercheur zweeg heel even.
Dat was genoeg.
‘Nee.’
Volgens de getuige was Martijn naar beneden gegaan en had hij eerst geprobeerd mijn telefoon uit het gras te pakken.
Daarna had hij mijn omgevallen rolstoel aan de achterkant vastgegrepen.
Niet om hem recht te zetten.
Om hem opnieuw naar de volgende helling te duwen.
Samen met mij.
Ik moest mijn gezicht wegdraaien.
‘Hij wilde het afmaken.’
Van Loon antwoordde niet onmiddellijk.
‘Daar lijkt het op.’
De tweede helling was nog steiler.
Daarachter liep een stenen afwateringsgeul.
Maar Martijn kwam niet zover.
De grond naast het onderhoudspad was door regen verzadigd geraakt.
Toen hij zijn gewicht tegen mijn rolstoel zette, schoof een stuk aarde onder zijn voeten weg.
Hij viel vooruit.
Een oud metalen deel van de afscheiding brak los.
Zijn onderbenen raakten bekneld tussen het stalen frame en de betonnen rand van de afwatering.
De getuige rende naar beneden maar kon hem niet bevrijden.
Toen de hulpdiensten arriveerden, zat Martijn al lange tijd vast.
De schade aan zijn benen was zo ernstig dat de artsen uiteindelijk geen andere mogelijkheid zagen dan amputatie.
Ik sloot mijn ogen.
Niet omdat ik medelijden met hem wilde hebben.
Maar omdat het allemaal te veel was om tegelijk te bevatten.
De man met wie ik negen jaar had gedeeld, had mij niet één keer geprobeerd te doden.
Hij had na de mislukte eerste poging geprobeerd verder te gaan.
‘Waarom zei hij tegen mij dat jullie het weten?’
Van Loon pakte een notitieblok.
‘Omdat we zijn telefoon in beslag hebben genomen.’
Daar begon de rest.
Martijn had zijn geschiedenis verwijderd.
Maar niet goed genoeg.
Rechercheurs vonden zoekopdrachten als:
overlijdensrisicoverzekering partner uitkering
wanneer doet verzekeraar onderzoek na ongeval
partner overleden hypotheek kwijtschelden
En één zoekopdracht die weken later nog steeds mijn maag deed omdraaien:
val van helling dodelijk welke hoogte
De eerste zoekopdracht was bijna twee maanden vóór onze rit naar Zuid-Limburg gedaan.
Dus nee.
Het was geen ruzie die uit de hand was gelopen.
Geen plotselinge woede.
Geen moment waarop hij ‘zichzelf niet was’.
Hij had erover nagedacht.
En hij had voorbereidingen getroffen.
Onze overlijdensrisicoverzekering bleek zes weken eerder te zijn aangepast.
Het verzekerde bedrag was verhoogd.
Martijn had documenten digitaal goedgekeurd via mijn gegevens.
De verzekeraar onderzocht later hoe hij dat precies had gedaan, maar één ding stond vast:
ik had nooit bewust ingestemd met de wijziging.
Toen ik hem daarmee confronteerde, ontkende hij alles.
Vanuit zijn ziekenhuisbed liet hij via zijn advocaat verklaren dat ik ‘verward’ was door mijn hersenschudding.
Dat ik depressief was geweest.
Dat ik misschien zelf naar de rand was gereden.
Hij beweerde zelfs dat hij naar beneden was gegaan om mij te redden.
Dat verhaal hield ongeveer een dag stand.
Toen kwam het telefoontje binnen.