‘Je hoeft niet te doen alsof het daarmee klaar is,’ zei ik.
‘Dat doe ik niet.’
Hij zette de bloemen op het aanrecht en bleef staan. ‘Ik heb die avond niets gedaan omdat ik bang was voor gedoe. De volgende keer bel ik meteen.’
‘Dat hoop ik.’
Hij knikte. We dronken koffie zonder het gesprek te redden met een grap of een verontschuldiging. Dat voelde eerlijker.
In het voorjaar fietste ik naar de opvangboerderij. De lucht was helder en de sloot langs de weg lag vol kleine rimpels. Saar stond bij het hek met haar hoofd laag. Haar been was nog stijf, maar ze zette het neer. Saskia stond naast haar met een borstel in haar hand.
‘Ze loopt beter,’ zei ze.
Saar duwde met haar neus tegen Saskia’s jas. Saskia streek met de borstel over haar hals, langzaam, alsof ze zich niet wilde haasten met iets wat ze eerder te lang had uitgesteld.
Ria was er die middag ook. Ze zat in een leenrolstoel op het erf, met een deken over haar knieën. Toen Saar naar haar toe kwam, legde Ria haar hand tegen het scheve witte hart op het voorhoofd van het paard.
‘Je bent koppig,’ zei ze.
Saar blies zacht door haar neus.
‘Dat is waarschijnlijk de reden dat je er nog bent.’
Ik stond bij het hek en dacht aan de ramen die die avond dicht waren gegaan. Niemand had geschreeuwd dat Maarten moest stoppen. Niemand had zijn naam hardop genoemd. Maar de mensen hadden wel gezien wat er gebeurde. Dat was het deel waar ik nog steeds aan moest wennen: hoe makkelijk iemand kwaad kon doen als iedereen eerst wilde weten of het wel hun zaak was.
Ik had de beelden niet gemaakt om Maarten te straffen. Ik had ze gemaakt omdat zijn stem harder klonk dan die van Saar, en omdat ik die stilte op het erf al te goed kende.
Toen ik vertrok, keek Saskia me na.
‘Dank je,’ zei ze.
Ik stak mijn telefoon in mijn jaszak. Het filmpje stond nog steeds veilig opgeslagen, met de oorspronkelijke datum en tijd. Ik had het nooit online gezet. De politie had het als bewijs gebruikt, samen met de bankafschriften, de papieren van Ria en Henk zijn verklaring.
Saar liep niet meer zoals vroeger. Misschien zou ze dat nooit meer doen. Maar ze stond op gras, onder een open lucht, met niemand aan een touw aan de andere kant.
Dat was geen grootse overwinning. Het was genoeg om terug te fietsen.