Zijn kaak bewoog.
‘Je hebt geen idee waar je je mee bemoeit.’
‘Dat geloof ik direct.’
Hij stond op en liet zijn koffie onaangeroerd.
Bij de deur draaide hij zich om.
‘Donderdag loopt mijn aanbod voor het land af. Denk daar goed over na.’
‘Van Beek van de bank komt toch?’
Kees keek mij een paar tellen aan.
‘Dat zei ik.’
‘Ik heb hem gebeld. Hij werkt al acht maanden niet meer op mijn dossier.’
Voor het eerst zag ik iets in zijn gezicht dat niet gecontroleerd was.
Het verdween snel.
‘Banken schuiven mensen door.’
‘Mijn betalingsachterstand is verkocht aan Noorderlicht Grondbeheer.’
Kees zei niets.
‘Dat bedrijf staat op naam van jouw holding.’
Buiten sloeg de wind regen tegen het keukenraam. Aan de overkant van de weg reed een buurvrouw langzaam voorbij op haar elektrische fiets. Ze keek naar de Volvo en daarna naar mijn huis. In een dorp hoef je geen gordijnen open te laten. Mensen kijken toch wel.
Kees pakte de deurklink.
‘Teken donderdag, Henk.’
‘Anders?’
‘Dan ontdek je wat papier kan doen.’
Toen hij weg was, bleef ik met mijn hand op de tafel staan.
Marieke had jaren eerder iets soortgelijks gezegd.
Niet over Kees, maar over documenten.
Papier liegt niet, Henk. Mensen liegen met papier.
Destijds had ik gezegd dat ze te veel werkte.
Ik liep naar boven en opende voor het eerst sinds haar begrafenis de kast naast haar bureau. Haar mappen stonden nog op kleur. Groen voor de boerderij, blauw voor privé, rood voor haar werk.
De rode map ontbrak.
Ik belde Noor.
‘Heeft je moeder jou ooit papieren gegeven?’
‘Welke papieren?’
‘Een rode map.’
Ze antwoordde niet meteen.
‘Mam gaf mij een USB-stick,’ zei ze uiteindelijk. ‘Twee weken voordat ze naar het hospice ging.’
‘Wat stond erop?’
‘Ik weet het niet.’
‘Je hebt nooit gekeken?’
‘Ze zei dat ik hem pas moest openen als oom Kees weer over de grond begon.’
Ik kneep mijn ogen dicht.
‘En dat doet hij al een jaar.’
‘Ik wilde niet opnieuw midden tussen jullie komen te staan.’
‘Noor, je stond er al middenin. Alleen wist ik dat niet.’
Ze kwam die middag terug met de USB-stick in een doorzichtig medicijndoosje. We staken hem in Mariekes oude laptop. De batterij was leeg, dus zat ik op mijn knieën onder het bureau om de juiste kabel te zoeken.
Noor stond achter mij met haar armen over elkaar.
‘Pap.’
‘Ja?’
‘Mam heeft je geprobeerd te waarschuwen.’
Ik bleef onder het bureau zitten.
‘Dat weet ik.’
‘Nee. Je weet dat ze iets zei. Dat is iets anders.’
Ik vond de kabel, maar stond niet direct op.
Marieke had in haar laatste jaar de administratie gedaan voor zowel Kees’ transportbedrijf als Stal Van Laar. De eigenaar van die stal, Pieter van Laar, was een vaste klant van Kees. Ze aten samen, investeerden samen en noemden elke afspraak informeel zolang er geen fiscus bij zat.
Op de stick stonden facturen, e-mails en gescande vrachtbrieven.
Een van de bestanden heette AVV_12_oktober.
Noor opende het.
De vrachtbrief vermeldde het vervoer van één paard van Breukelen naar een pensionstal bij Meppel. De datum was 12 oktober, 23.40 uur.
De stalbrand waarbij Aurelia volgens de officiële verklaring was gestorven, was op 13 oktober om 02.15 uur uitgebroken.
Het transport was uitgevoerd door De Ruiter Transport.
Onderaan stond een digitale handtekening.
K. de Ruiter.
Noor scrolde verder. Er was een factuur van een destructiebedrijf voor het afvoeren van een onidentificeerbaar paardenkadaver. Daarnaast stond een verzekeringsrapport waarin Pieter van Laar verklaarde dat Aurelia in de brand was omgekomen. De uitkering bedroeg 428.000 euro.
Zes weken later had Van Laar 82.500 euro overgemaakt aan een adviesbureau van Kees.
Omschrijving: projectbegeleiding.
Ik voelde geen woede. Nog niet. Alleen druk in mijn kaken.
Noor opende een tekstbestand.
Het waren aantekeningen van haar moeder.
Aurelia vóór brand verplaatst. Kadaver vermoedelijk Donna, 23 jaar, geen geldige chipcontrole mogelijk. Pieter wil verzekeringsgeld gebruiken om schulden af te lossen. Kees zegt dat ik me er niet mee moet bemoeien. Dreigt contract met Henk op te zeggen. Kopieën veiligstellen.
Onder de laatste regel stond:
Henk gelooft hem nog steeds.
Ik zette mijn bril af en legde hem naast de laptop.
Mijn vingers trilden zo hard dat het pootje tegen het bureaublad tikte.
Noor zei niets.
‘Ze had gelijk,’ zei ik.
‘Ja.’
‘En ik heb haar verteld dat ze moest ophouden.’
‘Ja.’
Er zat geen troost in haar antwoord. Alleen waarheid.
Dat verdiende ik.
De verzekeraar stuurde twee dagen later fraudeonderzoeker Eva Meijer naar de boerderij. Ze was achtenveertig, droeg een donkerblauwe regenjas en stelde vragen zonder haar stem te verheffen. Ze controleerde de chip zelf, nam kopieën van het paspoort en liet bloed en haren veiligstellen.
‘Als dit Aurelia is,’ zei ze, ‘dan hebben we niet alleen verzekeringsfraude. Dan is er ook valsheid in geschrifte, vermoedelijk witwassen en mogelijk dierenmishandeling.’
‘Kan Kees mijn land nog steeds afpakken?’