‘Vierenzeventig dagen,’ zei Bram terwijl hij de rits van zijn koffer dichttrok. ‘Dat is niets. Tegen de tijd dat ik terug ben, loop jij weer gewoon rond.’
Ik zat op de onderste traptrede omdat mijn benen mijn gewicht niet meer hielden. Mijn hand lag om de leuning geklemd. Niet uit verdriet, maar om niet voorover op de tegels te vallen.
‘Mijn internist zei dat ik de eerste weken niet alleen mag zijn.’
Bram van Dijk, mijn echtgenoot van tweeënvijftig, controleerde zijn paspoort en stopte het in het voorvak van zijn rugzak. Hij werkte als financieel adviseur en behandelde ongemakkelijke feiten zoals hij slechte kwartaalcijfers behandelde: negeren tot iemand anders ervoor betaalde.
‘Je overdrijft,’ zei hij. ‘Je hebt een telefoon. De thuiszorg komt twee keer per week. En Noor kan altijd langskomen.’
Onze vierentwintigjarige dochter zat op dat moment in Slovenië. Ze had Bram die ochtend nog gevraagd of ze eerder naar huis moest komen. Hij had haar geantwoord dat ik vooral rust nodig had en dat onverwacht bezoek mij alleen maar onrustig maakte.
Dat hoorde ik pas later.
Drie weken daarvoor was ik na een zware bijniercrisis uit het UMC Utrecht ontslagen. Ik had de ziekte van Addison en was volledig afhankelijk van hydrocortison. Zonder die tabletten kon mijn bloeddruk instorten. Bij koorts, stress of uitdroging moest de dosis omhoog. In de koelkast hoorde een noodinjectie te liggen.
Bram wist dat. Hij was erbij geweest toen de verpleegkundige hem uitlegde hoe snel het mis kon gaan.
‘Waar slaap je vanavond?’ vroeg ik.
‘Lyon, volgens de planning.’
Hij zou met twee vrienden door Frankrijk en Noord-Spanje fietsen. Dat was tenminste het verhaal. Vierenzeventig dagen, van de eerste maandag van mei tot half juli. Hij had een route uitgeprint en op de koelkast gehangen, compleet met hotelnamen, rustdagen en hoogteprofielen.
Alles zag er verzorgd uit. Bij Bram was dat meestal het moment waarop je achterdochtig moest worden.
Hij pakte zijn autosleutels van het dressoir.
‘De autosleutels?’ vroeg ik. ‘Ik dacht dat jullie vanuit Breda vertrokken.’
Heel even bleef zijn hand stil.
‘Peter brengt mijn fiets. Ik rijd tot daar.’
‘Laat dan de reservesleutel hier.’
‘Jij mag toch niet rijden.’
Hij stopte ook die sleutel in zijn jaszak.
Ik probeerde overeind te komen. Mijn knieën begonnen onmiddellijk te trillen. Bram keek toe zonder een stap naar me toe te doen.
‘Je zou me kunnen helpen,’ zei ik.
‘Als ik je steeds help, word je nooit zelfstandig.’
Het was precies het soort zin dat redelijk klonk zolang je niet degene was die op de vloer dreigde te vallen.
Hij wachtte tot ik weer zat, streek een vouw uit zijn overhemd en keek op zijn horloge.
‘Doe normaal, Eline. Ik ga op reis. Ik laat je niet achter in een hut op de hei.’
We woonden in een vrijstaande woning aan de rand van Maarssen, dicht bij de Vecht. Grote ramen, een witte keuken, vloerverwarming en buren op voldoende afstand om elkaars ruzies niet te hoeven horen. Bram had die privacy altijd een voordeel genoemd.
Bij de voordeur draaide hij zich om.
‘Over vierenzeventig dagen drinken we hier weer koffie.’
‘En als ik vannacht een crisis krijg?’
Hij glimlachte niet. Dat maakte het erger.
‘Dan bel je iemand.’
De deur viel dicht. Ik hoorde zijn sleutel draaien.
Daarna klonk nog een metalen klik die ik niet herkende.
Ik bleef bijna tien minuten op de traptrede zitten. Buiten startte de auto. De banden knarsten over het grind en verdwenen richting de straat.
Toen ik eindelijk de keuken bereikte, leunde ik met beide handen op het aanrecht. Ik wilde mijn middagdosis hydrocortison nemen. Het plastic medicijnbakje stond niet naast de waterkoker.
De la was leeg.
Ik keek in de bovenkastjes, daarna in de koelkast. De noodinjectie lag niet in het zijvak. Ook het kleine koeltasje waarin ik reserveampullen bewaarde, was weg.
Mijn vingers gleden over het lege kunststof bakje. Bram had het de avond ervoor nog voor me gevuld.
Ik liep naar de spoelbak en draaide de kraan open.
Er kwam eerst een korte kuch uit de leiding. Daarna niets.
De lamp boven het aanrecht deed het evenmin.
Ik drukte drie keer op de schakelaar, hoewel ik al wist dat elektriciteit niet terugkomt omdat je beleefd blijft proberen.
Mijn telefoon lag niet op tafel. Niet op de bank. Niet naast het bed.
De vaste telefoon werkte via de router. Zonder stroom was het een stuk plastic met twaalf cijfers erop.
Ik ging naar de voordeur. Het slot draaide aan de binnenkant, maar de deur bewoog nauwelijks. Iets hield hem aan de buitenzijde tegen. Ik probeerde de achterdeur. Hetzelfde. Bram had die een maand eerder voorzien van een extra veiligheidsgrendel die zogenaamd alleen bedoeld was voor onze vakanties.
Nu zat hij erop terwijl ik binnen was.
Bij de openslaande tuindeuren waren de sleutels uit de sloten gehaald. De raamkrukken op de begane grond waren afsluitbaar. De sleuteltjes lagen normaal in de keukenla.
Ook die waren verdwenen.
Mijn ademhaling werd oppervlakkig. Niet omdat ik nog niet begreep wat er was gebeurd, maar omdat ik het inmiddels wel begreep.
Ik liet me op een eetkamerstoel zakken en keek naar de routekaart op de koelkast. Lyon. Clermont-Ferrand. Bordeaux. San Sebastián.
Vierenzeventig dagen.
Naast de kaart hing een briefje in Brams handschrift: planten woensdag water geven.
Een kamerplant had blijkbaar meer verzorging verdiend dan ik.
Ik moest contact maken met buiten. Dat was het enige wat telde.
Boven lag misschien nog mijn oude telefoon, maar de trap leek steiler dan hij die ochtend was geweest. Ik trok mezelf overeind en zette één voet op de onderste trede. Mijn kuit verkrampte onmiddellijk.
Op de vierde trede zakte ik door mijn knieën.
Mijn kin raakte het hout. Ik proefde bloed en bleef liggen met mijn wang tegen de traptrede. Het huis was zo stil dat ik de klok in de woonkamer hoorde tikken.
Toen zag ik onder het kastje in de hal een kabeltje uitsteken.
Achter de kapstok stond een kleine beveiligingscamera. Noor had hem daar vier maanden eerder neergezet nadat er meerdere pakketjes uit de hal waren verdwenen tijdens werkzaamheden aan onze voordeur. Het apparaat werkte op een accu en sloeg beelden op een geheugenkaart op.
Bram had er destijds om gelachen.
‘Alsof iemand onze vaatwastabletten wil stelen.’
Daarna hadden we er niet meer over gesproken.
Het blauwe controlelampje brandde nog.
Ik stak mijn hand uit, maar de camera stond bijna drie meter van me vandaan. Ik had geen kracht om erheen te kruipen. Bovendien kon het apparaat niet bellen. Het kon alleen kijken.
Toch veranderde dat kleine blauwe licht iets. Als ik hier stierf, zou er tenminste een getuige zijn die niet door Bram kon worden onderbroken.
Ik draaide me om en liet me trede voor trede naar beneden glijden.
In de bijkeuken vond ik een doosje lucifers. De gasleiding werkte nog, maar ik durfde het fornuis niet aan te steken. Als het vuur zich verspreidde, zou ik nooit op tijd wegkomen.
Ik pakte een metalen ovenschaal, legde er een theedoek in en sleepte die naar de betegelde hal. Boven mij hing een rookmelder die op een batterij werkte.