‘Hij wilde dat ik dacht dat jij mij wegduwde,’ zei Noor.
Ze huilde niet. Ze verwijderde Bram uit haar contacten, zette haar telefoon uit en vouwde mijn ziekenhuisjas netjes over de stoel. Daarna bleef ze mijn hand vasthouden totdat de verpleegkundige haar naar huis stuurde.
Vanuit het huis van bewaring stuurde Bram mij drie brieven.
In de eerste schreef hij dat alles een verschrikkelijk misverstand was.
In de tweede gaf hij Femke de schuld.
In de derde schreef hij dat twintig jaar huwelijk toch iets moest betekenen.
Ik stuurde geen antwoord. Twintig jaar huwelijk betekende inderdaad iets. Daarom wist hij precies welke medicijnen hij moest meenemen.
Met hulp van advocaat Claire de Jong trok ik het levenstestament onmiddellijk in. De bank blokkeerde de zakelijke rekeningen en de overdracht van de grond werd stilgelegd. Een forensisch accountant vond uiteindelijk 612.000 euro aan onrechtmatige betalingen, valse facturen en privé-uitgaven.
Er bleek nog een verrassing in Femkes administratie te zitten.
Zij had niet alleen samen met Bram van het bedrijf gestolen. Ze had ook geld voor hem verborgen.
Van iedere honderdduizend euro die naar België ging, stortte ze ongeveer twintigduizend door naar een rekening die alleen op haar naam stond. Bram dacht dat ze partners waren. Femke had kennelijk al rekening gehouden met de dag waarop ze zonder hem verder moest.
Toen Anouk hem dat tijdens het verhoor vertelde, begon hij voor het eerst uitgebreid te praten.
Loyaliteit bleek bij Bram vooral afhankelijk van het saldo.
Hij overhandigde wachtwoorden, e-mails en geluidsberichten waaruit bleek dat Femke het plan had voorgesteld. Femke leverde op haar beurt documenten aan waaruit bleek dat Bram mijn handtekening al maanden vervalste.
Ze hadden samen geprobeerd mij te laten sterven. Daarna probeerden ze elkaar te begraven.
Tien maanden later begon de rechtszaak bij de rechtbank Midden-Nederland. Ik zat tussen Noor en Claire op de publieke tribune. Bram droeg een grijs pak dat slecht zat omdat hij in voorlopige hechtenis was afgevallen.
Femke keek niet naar mij. Ze rangschikte haar papieren telkens opnieuw, alsof de juiste volgorde haar onschuld kon herstellen.
De officier van justitie liet de camerabeelden zien. De zaal werd donker. Op het scherm zag ik mijn eigen hal, mijn eigen kapstok en mijn man die mijn medicatie in een tas stopte.
Daarna klonk Femkes stem.
‘Geen telefoon, geen water en vooral geen injectie.’
Niemand in de zaal bewoog.
Bram staarde naar de tafel. Femke hield op met haar papieren.
Hun advocaten voerden aan dat er geen zekerheid bestond dat ik werkelijk zou zijn overleden. De medisch deskundige antwoordde dat mijn overlevingskans zonder behandeling snel zou zijn afgenomen en dat uitdroging het proces had versneld.
De rechter stelde Bram één vraag.
‘Waarom blokkeerde u de deuren aan de buitenzijde?’
Bram keek eindelijk naar mij.
‘Ik was bang dat ze in haar verwardheid naar buiten zou gaan.’
Mijn handen lagen stil op mijn schoot.
De rechter keek naar een foto van de afgesloten hoofdkraan.
‘En het water?’
Bram zweeg.
‘En de noodmedicatie?’
Nog steeds geen antwoord.
De stilte duurde zestien seconden. Ik weet dat omdat ik ze telde.
Bram werd veroordeeld voor poging tot doodslag, wederrechtelijke vrijheidsberoving, valsheid in geschrifte en fraude. Hij kreeg negen jaar gevangenisstraf. Femke kreeg zeven jaar voor haar aandeel in het plan en de financiële misdrijven.
Daarnaast moesten zij een groot deel van het verduisterde geld terugbetalen. Hun Belgische rekeningen werden in beslag genomen. De projectontwikkelaar trok zich terug zodra de werkelijke afspraken openbaar werden.
Vermeer Vastgoed werd onder tijdelijk bestuur geplaatst. Na mijn herstel verkocht ik het bedrijf. Niet omdat ik had verloren, maar omdat ik niet langer iedere maand wilde vergaderen in een ruimte waar mijn zus mijn dood als bedrijfsstrategie had behandeld.
De echtscheiding werd een halfjaar na het strafproces uitgesproken. Bram probeerde aanspraak te maken op de overwaarde van ons huis, maar de civiele rechter hield rekening met mijn schadeclaim en met het geld dat hij uit onze gezamenlijke middelen had onttrokken.
Ik bleef niet in Maarssen wonen.
Het huis had grote ramen, maar na die middag voelde ieder raam als glas waarachter iemand kon controleren of ik al stil lag. Ik verkocht het en kocht een appartement in Leiden, op de tweede verdieping van een oud pakhuis. Geen tuin, geen grindpad en geen deuren die iemand van buitenaf kon blokkeren.
Mijn medicijnen liggen nu in drie verschillende sets: één thuis, één in mijn tas en één bij Noor. Boven de kapstok hangt opnieuw een camera. Niet verborgen.
Henk kreeg van mij een nieuwe hondenriem en een fles jenever die hij te duur vond.
‘Je had gewoon kunnen aanbellen,’ zei ik toen ik hem bedankte.
‘Dat deed ik ook,’ antwoordde hij. ‘Je man had er alleen een balk voor gezet.’
Dat was de eerste keer dat ik erom kon lachen. Kort en zonder vrolijkheid, maar toch.
Op de dag dat de vierenzeventig dagen verstreken, zat Noor bij mij aan tafel. Buiten tikte regen tegen het raam en over het donkere water gleden twee eenden onder een brug door. Mijn telefoon lichtte op met een melding uit de gevangenisadministratie: Bram had opnieuw toestemming gevraagd om mij te schrijven.
Ik wees het verzoek af.
Daarna nam ik mijn hydrocortison met een vol glas water. Ik zette het glas in de spoelbak en draaide de kraan nog even open.
Niet omdat het nodig was.
Omdat het kon.