‘Je bent veranderd.’
‘Sinds vanmiddag?’
Sanne keek snel naar haar.
Te snel.
Ik noteerde het.
‘Morgen om tien uur bij de notaris,’ zei ze. ‘Niet vergeten.’
‘Natuurlijk niet.’
Voor het eerst die avond glimlachte ik.
‘Ik zou het voor geen goud missen.’
Die nacht sliep Lucas bij ons in bed.
Niet omdat hij bang was.
Omdat Marieke dat vroeg.
Toen hij eindelijk sliep, lag ik op mijn rug naar het plafond te kijken.
Marieke lag naast me, met haar gezicht van me af.
‘Hoe lang?’ vroeg ik.
Ze antwoordde niet.
‘Hoe lang doen ze dit al?’
Haar schouders verstijfden.
‘Een paar weken.’
‘Het eten?’
‘Dat ook.’
‘Die plek op je pols?’
Nu draaide ze zich om.
‘Sanne pakte me vast toen ik haar laptop wilde verplaatsen.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik zag wat erop stond.’
Ik ging rechtop zitten.
‘Wat?’
Ze keek naar Lucas.
Toen fluisterde ze:
‘Een conceptkoopovereenkomst.’
Mijn maag trok samen.
‘Van ons huis?’
Ze knikte.
‘Voor zevenhonderdtachtigduizend euro.’
Ik zei niets.
Onze woning was minstens negenhonderdvijftigduizend waard.
‘Aan wie?’
‘Een bv. Ik kende de naam niet.’
‘Waarom heb je me niet gebeld?’
Marieke keek naar haar handen.
‘Dat heb ik geprobeerd.’
‘Je hebt niets gezegd.’
‘Omdat Sanne elke keer naast me zat wanneer jij belde.’
‘Je had kunnen appen.’
‘Ze had mijn telefoon.’
Daar draaide mijn hoofd naar haar toe.
‘Wat?’
‘Ze zei dat ik te veel stress had. Dat ik mezelf gek maakte. Je moeder vond dat ook.’
Ik stapte uit bed.
‘Waar is je telefoon?’
‘Beneden.’
‘Geef me je pols.’
‘Maarten—’
‘Alsjeblieft.’
Ze stak haar arm uit.
De blauwe plek was duidelijker in het licht van het nachtlampje.
Vier afdrukken.
Een duim aan de andere kant.
Ik kneep mijn ogen dicht.
Niet lang.
Twee seconden.
Toen stond ik op.
‘Pak wat spullen voor jou en Lucas.’
‘Waar gaan we heen?’
‘Naar een hotel.’
‘En zij?’
‘Die blijven hier.’
Ze keek me aan alsof ik gek geworden was.
‘Dit is óns huis.’
‘Precies.’
Om half één ’s nachts zaten we in een hotel aan de rand van Utrecht.
Lucas sliep met zijn knuffelkonijn onder zijn kin.
Marieke zat tegenover me aan een klein bureau.
Tussen ons lag mijn telefoon.
Ik speelde de opname af.
Toen Sanne zei dat ik niet hoefde te weten dat de verkoop al voorbereid was, sloeg Marieke haar hand voor haar mond.
Niet omdat ze het niet wist.
Omdat ze eindelijk hoorde dat ze niet gek was.
Dat begreep ik pas toen ze zei:
‘Ze hebben me wekenlang verteld dat ik dingen verkeerd begreep.’
Ik keek haar aan.
‘Wat nog meer?’
Toen kwam alles.
Mijn moeder had gezegd dat ik genoeg van Marieke begon te krijgen.
Sanne had beweerd dat ik privé met een advocaat sprak over een scheiding.
Pieter had terloops gevraagd of Marieke wist hoe weinig rechten ze zou hebben als het huis juridisch alleen van mij was.
En dat laatste was waar.
Ik had het huis zeven jaar vóór ons huwelijk gekocht.
Marieke had bijgedragen aan de verbouwing, aan de hypotheek, aan ons leven.
Maar op papier stond de woning op mijn naam.
Mijn familie wist dat.
Ze hadden daar blijkbaar een kans in gezien.
‘Waarom zouden ze dit doen?’ vroeg Marieke.
Ik wist het antwoord nog niet volledig.
Maar ik had een vermoeden.
Mijn vader, Willem de Bruin, was twee jaar eerder overleden. Hij had een klein bouwbedrijf gehad en daarnaast meerdere panden in Utrecht en Nieuwegein.
Na zijn dood erfden Sanne en ik ieder de helft van zijn aandelen.
Sanne werkte nooit in het bedrijf.
Ik wel.
Mijn vader had zijn hele leven één fout gemaakt: hij had familie en eigendom als hetzelfde beschouwd.
Na zijn dood ontdekte ik hoe duur die fout was.
Het bedrijf had liquiditeitsproblemen.
Sanne had geld nodig.
Veel geld.
Ze ontkende het altijd.
‘Misschien gaat het niet alleen om het huis,’ zei ik.
Marieke keek me aan.
‘Wat bedoel je?’