Ik kwam eerder terug in de lobby en zag een van mijn schoonmakers op haar knieën water geven aan een oude man, terwijl mijn operationeel directeur de beveiliging beval hem buiten te zetten omdat hij ons hotel arm liet lijken; toen ik het horloge om zijn pols zag, herkende ik het van mijn vader, die zestien jaar eerder spoorloos verdween

Ik had geen antwoord dat niet als een belofte klonk. ‘Omdat ik wil weten wat er gebeurd is.’

‘Dat kan ik je vertellen.’

‘Je hebt zestien jaar gehad.’

‘Ik weet het.’

‘Je zegt dat vaak.’

‘Omdat het waar is.’

Ik liet hem achter in de opvang en ging naar het hotel. Noor stond in de personeelsruimte een thermoskan af te wassen. Op het aanrecht lag een opgevouwen briefje.

‘Van je vader,’ zei ze. ‘Hij gaf het me gisteravond in het ziekenhuis. Hij vroeg of ik het aan jou wilde geven.’

Ik vouwde het open. Er stond één regel op, in het hoekige handschrift dat ik van vroeger kende: De sleutel zit nog achter de losse tegel in de oude linnenkamer.

‘Welke sleutel?’ vroeg ik.

Noor schudde haar hoofd. ‘Dat heeft hij niet gezegd.’

De oude linnenkamer was al jaren dicht. We gebruikten die ruimte vroeger voor voorraad; inmiddels stonden er kapotte stoelen en dozen met archiefmappen. De tegel zat precies waar hij had gezegd. Achter die zat een kleine koperen sleutel, zwart van ouderdom.

De sleutel paste op een metalen kast achter de stelling. Binnenin lagen drie ordners, een envelop met bankafschriften en een oude cassetterecorder.

Ik nam de spullen mee naar mijn kantoor. De bovenste ordner bevatte de administratie van het jaar waarin mijn vader verdween. Op de eerste bladzijde stond zijn handschrift: Als Eva dit ooit leest, betekent dat dat ik te lang heb gewacht.

Ik sloeg de bladzijde om.

De bedragen leken bekend. De betalingen waren dezelfde die de bank destijds als verdwenen geld had aangemerkt. Maar naast elke betaling stond een tweede regel: een factuurnummer, een datum en de naam van een bouwbedrijf. De betalingen waren niet overgemaakt naar mijn vader. Ze waren naar een rekening gegaan van een onderneming die inmiddels niet meer bestond.

De naam van de bestuurder stond onderaan de lijst.

Maarten Smit.

Ik bleef zitten met mijn hand op het papier. Maarten was toen vierentwintig geweest. Hij werkte als assistent van de accountant, een bijbaan die hij had gekregen via zijn oom. Zijn naam kwam voor op zes facturen, allemaal goedgekeurd met de handtekening van mijn vader.

De volgende ordner bevatte kopieën van brieven aan de bank en aan de politie. Mijn vader had ontdekt dat iemand facturen had vervalst, maar hij kon niet bewijzen wie de bankgegevens had aangepast. De accountant had verklaard dat mijn vader de enige was die toegang had tot de rekening.

In de envelop zat een brief van mijn moeder.

Bernard, ik kan niet nog een dag doen alsof ik niet weet wat je hebt gevonden. Als je gaat, laat Eva dan niet denken dat je haar ook verlaten hebt. Vertel haar waarom. Ik kan dit niet alleen blijven dragen.

De brief was nooit verzonden. Op de achterkant stond een datum van zes dagen vóór de verdwijning.

Ik belde Noor. ‘Kun je naar mijn kantoor komen?’

Ze kwam binnen, las de naam op de facturen en legde het papier neer.

‘Maarten?’ zei ze.

‘Hij werkte toen nog niet voor het hotel.’

‘Maar hij kende je vader.’

‘Ja.’

Noor keek naar de archiefdozen. ‘Denk je dat hij nu nog bezig is?’

‘Ik weet het niet.’

Ik belde onze accountant. Die zei dat de facturen te oud waren om nog een formele controle op te starten zonder externe aanleiding, maar dat de bedrijfsnaam op een recent leveranciersregister was opgedoken. Een onderneming van dezelfde familie leverde sinds twee jaar onderhoudsdiensten aan het hotel. De bedragen waren hoger dan bij andere aanbieders.

‘Heb je die contracten zelf goedgekeurd?’ vroeg ik.

‘De eerste wel,’ zei de accountant. ‘Daarna heeft Maarten de verlengingen gedaan.’

Ik vroeg hem om een volledige uitdraai van alle betalingen. Daarna belde ik de notaris die ooit de administratie van mijn moeder had behandeld. Hij bevestigde dat mijn vader destijds geprobeerd had om de hotelrekening te beschermen met een tijdelijke blokkade. De aanvraag was kort daarna ingetrokken.

‘Door wie?’ vroeg ik.

‘Dat moet ik in het archief nakijken.’

Een uur later belde hij terug. De blokkade was opgeheven met een machtiging die door mijn moeder was ondertekend.

Ik voelde een koude plek onder mijn ribben.

Die avond ging ik opnieuw naar mijn vader. Hij zat op de stoel in zijn kamer, zijn horloge op tafel. De kast stond open. Hij had de brieven voor zich uitgespreid.

‘Je wist dat Maarten betrokken was,’ zei ik.

‘Ik vermoedde het.’

‘Je had bewijs.’

‘Niet genoeg om hem te laten veroordelen.’

‘Je liet mij denken dat jij het geld had gestolen.’

‘Je moeder had de blokkade opgeheven. Ik dacht dat ze dat deed om jou te beschermen.’

‘Waarom zei je dat niet?’

Hij keek naar de brief van mijn moeder. ‘Omdat ze me smeekte om je erbuiten te houden.’

‘Ze schreef dat je me niet moest laten denken dat je me verlaten had.’

Hij pakte de brief op. Zijn hand trilde, maar niet van ouderdom.

‘Die brief heb ik nooit gezien.’

‘Hij lag achter de ordners.’

‘Ik wist niet dat ze hem daar had opgeborgen.’

‘Dus je verdween omdat mijn moeder je dat vroeg?’

‘Nee. Ik verdween omdat ik geen bewijs had, geen geld en geen idee wie ik nog kon vertrouwen. Ik dacht dat ik Maarten zou tegenhouden als ik bleef. Hij had al gezegd dat hij de laatste geldstroom aan mij zou koppelen.’

‘Je had met de politie kunnen praten.’

‘Dat heb ik gedaan. Ze onderzochten het, maar de documenten waren vervalst. De accountant bevestigde mijn handtekening. Ik had die facturen destijds zelf getekend omdat ik dacht dat ze bij het verbouwingsbudget hoorden.’

‘En toen?’

‘Toen kwam je moeder met de machtiging. Ze zei dat ik haar en jou niet verder moest meeslepen. Ik dacht dat ze bang was.’

‘Was ze bang?’

‘Ja.’

‘Voor Maarten?’