Ik trouwde met een stervende man om zijn laatste wens te vervullen. Tien dagen later was hij dood — en zijn advocaat onthulde waarom hij mij al sinds mijn geboorte kende.

Deel 2 – De man die nooit bezoek kreeg

Vier maanden eerder had ik Carl ontmoet in een hospice aan de rand van Amersfoort.

Ik werkte drie dagen per week in een bibliotheek en deed daarnaast vrijwilligerswerk bij mensen die ernstig ziek waren.

Mijn eigen moeder was vijf jaar daarvoor overleden aan longkanker.

De laatste weken van haar leven had ik aan haar bed gezeten, vaak zonder iets te zeggen.

Na haar overlijden had ik gemerkt hoe moeilijk het was om opnieuw aan het gewone leven te beginnen.

Vrijwilligerswerk hielp.

Niet omdat ik dacht dat ik mensen kon redden.

Juist omdat ik had geleerd dat aanwezigheid soms belangrijker was dan antwoorden.

Carl lag op kamer twaalf.

Hij was vierenveertig, mager en had uitgezaaide kanker.

De verpleegkundige vertelde dat hij weinig bezoek ontving.

‘Hij is vriendelijk,’ zei ze. ‘Maar hij houdt mensen behoorlijk op afstand.’

Toen ik voor het eerst zijn kamer binnenkwam, zat hij bij het raam.

Op zijn schoot lag een boek dat hij niet las.

‘Goedemiddag,’ zei ik. ‘Ik ben Anna, een van de vrijwilligers.’

Zijn vingers sloten zich om de kaft.

‘Anna?’

‘Ja.’

Hij keek mij langer aan dan gebruikelijk was.

Toen glimlachte hij.

‘Dat is een mooie naam.’

Ik vroeg of hij thee wilde.

‘Alleen als je zelf ook iets neemt.’

We dronken samen thee uit witte ziekenhuiskopjes.

Hij vertelde dat hij vroeger als technisch tekenaar had gewerkt en jarenlang in Zwolle had gewoond.

Ik vertelde over mijn werk in de bibliotheek.

Hij vroeg welke boeken ik graag las.

Toen ik zei dat ik vooral van familiegeschiedenissen hield, moest hij zacht lachen.

‘Daar heb ik nooit veel van begrepen.’

‘Van familiegeschiedenissen?’