Ik trouwde met een stervende man om zijn laatste wens te vervullen. Tien dagen later was hij dood — en zijn advocaat onthulde waarom hij mij al sinds mijn geboorte kende.

‘Van families.’

Ik dacht dat hij bedoelde dat hij weinig familie had.

Pas later begreep ik dat zijn antwoord ingewikkelder was.

De daaropvolgende weken bezocht ik hem iedere dinsdag en donderdag.

Soms praatten we.

Soms maakten we een korte wandeling door de binnentuin.

Een enkele keer sliep hij terwijl ik naast het bed een boek las.

Hij stelde veel vragen over mijn jeugd.

Waar ik was opgegroeid.

Of ik broers of zussen had.

Hoe mijn moeder heette.

Ik vond het aanvankelijk gewone belangstelling.

Toen ik hem vertelde dat mijn moeder Els had geheten, draaide hij zijn gezicht naar het raam.

‘Mooie naam,’ zei hij opnieuw.

Ik merkte dat zijn hand trilde.

‘Kende je iemand die zo heette?’

‘Vroeger.’

Daar liet hij het bij.

Op een donderdag vroeg hij of ik nog contact had met mijn vader.

‘Nee,’ antwoordde ik.

‘Weet je waar hij woont?’

‘Geen idee.’

Hij knikte langzaam.

‘Heb je ooit geprobeerd hem te vinden?’

Ik zette mijn theekopje neer.

‘Toen ik achttien was. Maar mijn moeder wilde er niet over praten.’

‘Misschien had ze daar redenen voor.’

Zijn toon irriteerde me.

‘Misschien. Maar het was mijn vader.’

Carl keek naar zijn handen.

‘Dat is waar.’

Een week later bood hij zijn excuses aan.

‘Ik stelde te veel persoonlijke vragen.’

‘Dat geeft niet,’ zei ik.

Maar eigenlijk had het me wel geraakt.

Ik had mezelf aangeleerd dat ik niets meer van mijn vader hoefde te weten.

Soms was dat waar.

Soms niet.

Carl werd ondertussen zichtbaar zwakker.

Hij at steeds minder en kreeg vaker pijn.

Op een middag vroeg hij of ik zijn oude platenspeler thuis wilde ophalen.

Hij gaf me de sleutel van zijn appartement, samen met een adres in een rustige straat in Amersfoort.

‘Er ligt een plaat van Ramses Shaffy naast,’ zei hij. ‘Die wil ik nog een keer horen.’

Zijn woning was klein en netjes.

Er stonden nauwelijks persoonlijke spullen.

Geen familiefoto’s.

Wel een houten kistje op een boekenplank.

Het deksel stond een stukje open.

Binnenin zag ik ansichtkaarten en een geel geworden krantenknipsel.

Ik keek niet verder.

Het was zijn privéleven.

Toen ik terugkwam met de platenspeler, begon hij te huilen.

Niet luid.

Hij legde alleen een hand voor zijn ogen.

‘Sorry,’ mompelde hij.

‘Waarvoor?’

‘Voor dingen die ik te lang heb laten liggen.’

Ik wist niet wat ik daarop moest antwoorden.

Dus zette ik de plaat op.

En bleef zitten.