Ik trouwde met een stervende man om zijn laatste wens te vervullen. Tien dagen later was hij dood — en zijn advocaat onthulde waarom hij mij al sinds mijn geboorte kende.

Deel 3 – Een laatste wens

Het huwelijksaanzoek kwam op een dinsdagochtend.

Carl had een slechte nacht gehad.

Hij zat rechtop in bed, met een deken over zijn knieën en een onaangeroerd ontbijt naast zich.

‘Anna, mag ik je iets vragen wat nogal vreemd is?’

‘Dat hangt ervan af hoe vreemd.’

Hij glimlachte even.

Toen werd hij ernstig.

‘Wil je met me trouwen?’

Ik dacht dat ik hem verkeerd had verstaan.

‘Carl…’

‘Ik weet dat het belachelijk klinkt.’

‘We kennen elkaar pas een paar maanden.’

‘Dat weet ik.’

‘En je bent ziek.’

Hij keek me rustig aan.

‘Dat weet ik ook.’

Ik schoof mijn stoel dichterbij.

‘Waarom zou je willen trouwen?’

Hij staarde naar zijn trouwloze hand.

‘Omdat ik niet als iemand zonder familie wil sterven.’

Ik voelde een steek van medelijden.

Hij vertelde dat hij nooit eerder getrouwd was geweest.

Dat hij de meeste mensen in zijn leven op afstand had gehouden.

En dat hij nu, aan het einde, spijt had van die eenzaamheid.

‘Je hoeft niet met me te trouwen om ervoor te zorgen dat ik hier blijf komen,’ zei ik.

‘Dat begrijp ik.’

‘Je kunt me gewoon vragen bij je te zijn.’

Hij knikte.

Maar zijn ogen stonden vol tranen.

‘Ik zou graag een keer in mijn leven tegen iemand kunnen zeggen: jij hoort bij mij.’

Ik gaf hem niet meteen antwoord.

Sterker nog, ik vond het voorstel ongemakkelijk.

Ik had hem leren kennen als een zieke man voor wie ik vrijwillig tijd vrijmaakte.

Een huwelijk was iets heel anders.

Die avond belde ik mijn vriendin Marijke.

Zij werkte als wijkverpleegkundige en kende me al sinds de middelbare school.

‘Anna, je kunt iemand ontzettend graag mogen zonder zijn vrouw te worden.’

‘Dat weet ik.’

‘Ben je verliefd op hem?’

Ik zweeg.

‘Niet op de manier waarop ik ooit verliefd ben geweest.’

‘Waarom overweeg je het dan?’

Ik keek naar de regen op mijn balkon.

‘Omdat hij me doet denken aan hoe alleen mijn moeder soms was.’

Marijke zuchtte.

‘Dat begrijp ik. Maar jouw verdriet om je moeder is geen reden om met een andere patiënt te trouwen.’

Ze had gelijk.

Toch bleef Carls vraag me bezighouden.

De volgende dag sprak ik met de coördinator van het vrijwilligerswerk.

Zij adviseerde mij duidelijk mijn grenzen te bewaken en mijn vrijwilligersrol te beëindigen als ik persoonlijk bij Carl betrokken wilde raken.

Ook vroeg ze of ik wel begreep wat een huwelijk juridisch betekende.

Dat had ik onvoldoende beseft.

Ik sprak daarom met een onafhankelijke notaris over huwelijkse voorwaarden, bezittingen en eventuele schulden.

Carl ging akkoord met een regeling waarbij onze vermogens gescheiden bleven.

Hij zei dat hij geen enkel financieel voordeel van mij wilde.

Ook liet hij de behandelend arts bevestigen dat hij helder was en zijn beslissing begreep.

De gemeente moest de benodigde formaliteiten afhandelen, waardoor een huwelijk niet onmiddellijk mogelijk was.

In die periode kwam ik bijna dagelijks langs, inmiddels niet meer als vrijwilliger maar als persoonlijk bezoek.

We praatten over de dood.