Over angst.
Over wat mensen elkaar verschuldigd zijn.
Op een avond zei ik:
‘Ik kan je niet beloven dat ik dezelfde gevoelens heb als jij.’
Carl knikte.
‘Dat vraag ik ook niet.’
‘Ik wil niet dat je denkt dat een huwelijk alles goedmaakt.’
Hij keek me lang aan.
‘Sommige dingen kun je niet meer goedmaken.’
Het klonk alsof hij over iets specifieks sprak.
‘Wat bedoel je?’
‘Niets. Ik ben moe.’
Ik liet het rusten.
Twee weken later trouwden we in een eenvoudige ruimte in het hospice, waar de ambtenaar van de burgerlijke stand de ceremonie leidde.
Er waren twee getuigen.
Marijke en een oude vriend van Carl, die speciaal uit Zwolle was gekomen.
Ik droeg een donkerblauwe jurk.
Carl had een wit overhemd aangetrokken.
Er waren geen bloemen, alleen een klein boeket dat een verpleegkundige had neergezet.
Toen de ambtenaar vroeg of Carl mij tot zijn echtgenote wilde nemen, keek hij mij met een ernst aan die ik nooit zou vergeten.
‘Ja,’ zei hij.
Zijn stem brak.
Na afloop hield hij mijn hand vast.
‘Dank je, Anna.’
‘Waarvoor?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Dat je me dit hebt gegeven.’
De laatste tien dagen waren zwaar.
Carl kon nauwelijks meer eten.
We luisterden naar muziek en ik las hem voor.
Eén keer werd hij midden in de nacht wakker en vroeg of ik boos op hem was.
‘Waarom zou ik boos zijn?’
‘Omdat ik niet alles heb verteld.’
Ik vroeg wat hij bedoelde.
Hij sloot zijn ogen.
‘Ik hoop dat je later begrijpt waarom.’
Ik dacht dat hij over zijn ziekte sprak.
Over dingen die hij niet had durven zeggen.
Tien dagen na ons huwelijk overleed hij vroeg in de ochtend.
Ik zat naast hem.
Zijn hand lag in de mijne.
En ik had nog steeds geen idee wie ik had getrouwd.