Ik zette de kraan dicht. Marieke hield de slang nog vast, alsof ik haar midden in een gewone tuinklus had gestoord.
‘Ze is gevallen,’ zei ze. ‘Ik wilde alleen het zand van haar afspoelen.’
Lotte zat op de rand van het terras. Haar jurk plakte aan haar benen. Onder het verband glansde een smalle rode streep. Ik wilde haar optillen, maar ze kromp ineen toen mijn hand haar schouder raakte.
‘Niet aan haar oog komen,’ zei Marieke snel. ‘Ik heb het verbonden.’
‘Met wat?’
Ze keek naar het gaas, toen naar mij. ‘Met een verband uit de badkamer.’
Ik haalde mijn telefoon uit mijn broekzak en belde 112. De centralist vroeg of Lotte aanspreekbaar was en of er iets in haar oog terechtgekomen kon zijn. Ik antwoordde zo goed ik kon. Terwijl ik sprak, bleef Marieke naast de tuintafel staan. De slang hing slap uit haar hand. Er drupte water op de tegels.
‘Je maakt het groter dan het is,’ zei ze toen ik ophing. ‘Ze struikelt altijd.’
Dat was de eerste keer dat ik haar die dag aankeek zonder meteen naar een antwoord te zoeken dat haar woorden kon verzachten.
‘Ze bloedt uit haar oog.’
‘Het is haar wenkbrauw,’ zei Marieke. ‘Ik heb gekeken.’
Lotte hield haar gezicht van haar afgewend. Ik trok mijn jas uit en sloeg die om haar heen. Op dat moment reed de ambulance de straat in.
Marieke wilde mee, maar de ambulanceverpleegkundige vroeg of ik de vader was. Toen ik ja zei, mocht ik bij Lotte blijven. Marieke liep achter ons aan tot aan de voordeur.
‘Laat me weten wat de arts zegt,’ zei ze.
Lotte greep mijn mouw vast. Haar vingers waren koud.
‘Ik blijf bij je,’ zei ik.
De verpleegkundige keek even naar Marieke en daarna naar mij. Ze stelde geen vragen waar Lotte bij was.
Mijn naam is Erik van Dijk. Ik was tweeënveertig en werkte als onderhoudscoördinator bij een woningcorporatie in Utrecht. Lotte was acht. Haar moeder, Eva, was overleden toen Lotte drie was. Ik had haar niet proberen te vervangen met Marieke. Ik had mezelf alleen wijsgemaakt dat een rustig, nieuw gezin beter voor Lotte zou zijn dan een vader die na een lange werkdag in stilte de afwas deed.
Marieke was drie jaar eerder in ons leven gekomen. Ze was negenendertig, werkte als financieel medewerker bij een groothandel en had een dochter uit een eerdere relatie die om het weekend bij haar vader verbleef. In het begin leek ze precies het soort volwassene dat ik nodig had: praktisch, geduldig, goed met agenda’s en schooltassen.
Ze zette tandpasta op Lottes borstel. Ze wist welke boterham Lotte wel at en welke niet. Ze nam haar mee naar de bibliotheek als ik een late dienst had. Toen we trouwden, had Lotte zelf de bloemen uitgekozen.
De eerste problemen waren klein genoeg geweest om ze geen problemen te noemen.
Marieke vond dat Lotte te veel aandacht vroeg. Lotte vond dat Marieke te vaak haar kamer binnenkwam zonder te kloppen. Ik zei dat ze allebei wat moesten wennen. Als Lotte iets vertelde, legde Marieke uit waarom het niet helemaal klopte. Als Marieke klaagde, vroeg ik Lotte om rekening met haar te houden.
Ik dacht dat ik bemiddelde. In werkelijkheid had ik geleerd om bij elke botsing eerst te zoeken naar de reden waarom Lotte ongelijk kon hebben.
In het ziekenhuis liet een arts Lotte rustig vertellen wat er gebeurd was. Ze sprak met haar op ooghoogte en vroeg of ze pijn had, of ze licht kon verdragen en of ze wist wat er vlak voor de val was gebeurd. Lotte beantwoordde de vragen met knikjes.
De arts onderzocht haar oog en de huid rond haar wenkbrauw. Er zat een flinke snijwond vlak boven het ooglid. Het oog zelf leek gelukkig niet doorboord, maar door het bloed en de zwelling kon ze niet alles goed beoordelen. Ze wilde een oogarts laten meekijken en Lotte een paar uur observeren.
‘We willen geen druk op het oog,’ zei ze. ‘En voorlopig houden we het schoon en droog.’
Ik keek naar het natte verband dat de verpleegkundige voorzichtig van Lottes gezicht haalde. Het gaas was verkleurd en had aan de wond vastgezeten.
‘Wie heeft dit aangelegd?’ vroeg de arts.