‘Marieke,’ zei ik.
De arts trok haar handschoenen uit. Haar gezicht veranderde niet, maar haar stem werd zakelijker.
‘We leggen precies vast wat we aantreffen. Ik wil ook graag even alleen met Lotte praten.’
Ik bleef op de gang. Mijn telefoon trilde. Marieke belde.
‘Hoe ernstig is het?’
‘Dat weten we nog niet.’
‘Je moet wel zeggen dat ze gevallen is. Ze is uitgegleden toen ze met de sproeier speelde.’
‘Ze zei dat jij de slang op haar richtte.’
Aan de andere kant bleef het stil.
‘Dat is niet eerlijk,’ zei ze uiteindelijk. ‘Ze was boos omdat ik haar vroeg naar binnen te komen.’
‘Waarom droeg ze een verband voordat de ambulance er was?’
‘Ze had haar wenkbrauw opengehaald. Ik wilde de bloeding stelpen.’
‘En daarna heb je haar afgespoeld?’
‘Ze zat onder de modder.’
Ik keek door het raam naar de parkeerplaats. Een man probeerde een kinderfiets in de kofferbak van zijn auto te leggen. Hij had de achterklep al twee keer laten zakken zonder de fiets goed neer te zetten.
‘Marieke, ik kom zo niet verder.’
‘Je kiest meteen haar kant.’
‘Ik kies de kant van het kind dat bloedt.’
Ze hing op.
Toen de oogarts klaar was, bleek de wond oppervlakkig genoeg om met enkele hechtingen te sluiten. Haar oog was geïrriteerd, maar niet blijvend beschadigd. Lotte moest de volgende ochtend terug voor controle. De arts herhaalde dat niemand haar aan het oog mocht wassen of drukken.
Ik vroeg of er een maatschappelijk werker met haar kon praten. Niet omdat ik al wist wat ik moest denken, maar omdat ik niet wilde dat ze zich verantwoordelijk voelde voor mijn reactie.
Lotte kreeg een klein bed op de kinderafdeling. Ik zat naast haar terwijl ze naar het plafond keek. Haar ene oog was dicht, het andere op een lichtblauwe muur gericht.
‘Wil je vertellen wat er gebeurde?’ vroeg ik.
Ze haalde haar schouders op. De beweging was klein. ‘Ik had de plantenbak omgestoten.’
‘Die grote?’
‘Ja. De aarde viel op de tegels. Marieke zei dat ik expres rommel maakte.’
‘En toen?’
‘Ze zei dat ik het zelf moest opruimen. Ik zei dat ik de schep ging halen. Toen pakte ze de slang.’
Lotte slikte. Haar hand bleef aan de deken plukken.
‘Ze zei dat ze me wel schoon zou maken. Ik probeerde weg te lopen. Toen spoot ze op me. Ik gleed uit bij de rand van de tegels.’
‘Heb je haar gezegd dat je gevallen was?’
‘Ze zei dat ik moest zeggen dat ik was gevallen.’
Ik voelde de stoel onder me kraken toen ik naar voren leunde.
‘Waarom heb je dat niet meteen verteld?’
‘Omdat ze zei dat jij boos zou worden.’
‘Op jou?’
‘Op haar.’ Lotte keek eindelijk naar me. ‘Maar dan zou jij weer zeggen dat we allemaal rustig moesten doen.’
Daar had ik geen antwoord op. Ik legde mijn hand naast de hare op het bed. Ze schoof haar vingers naar de mijne, maar keek weer weg.
Marieke kwam die avond niet naar het ziekenhuis. Ze stuurde een bericht: Ik laat jullie even met rust. We praten morgen als iedereen gekalmeerd is.
De volgende ochtend kwam mijn zus Anouk. Ze bracht koffie en een schoon T-shirt voor Lotte. Ze was de enige geweest die Marieke vanaf het begin voorzichtig had gevonden, maar ze had nooit gezegd dat ze haar niet vertrouwde. Ik had haar bezorgdheid afgedaan als jaloezie omdat zij en Lotte zo close waren.
‘Ik had haar vaker moeten vragen hoe het thuis ging,’ zei Anouk terwijl Lotte een boterham at.
‘Ik ook.’
‘Ze probeerde het me twee maanden geleden te vertellen. Ze zei dat Marieke haar “een zeur” noemde als jij niet thuis was.’
Ik keek op. ‘Waarom heb je dat niet tegen me gezegd?’
‘Dat heb ik wel. Jij zei dat Marieke streng was en dat Lotte testte waar de grenzen lagen.’
De woorden kwamen terug, precies zoals ik ze had uitgesproken. Ik had ze zelfs met een lach gezegd, alsof het een verstandige vaderlijke observatie was.
Na de controle mocht Lotte naar huis. De arts adviseerde haar die dag thuis te blijven en gaf een brief mee voor school. Ik wilde haar meenemen naar Anouk, maar Lotte vroeg of we naar ons eigen huis konden gaan.
‘Alleen als jij dat echt wilt,’ zei ik.
Ze knikte.
Toen we aankwamen, stond Marieke in de keuken. Ze had haar haar strak naar achteren gebonden en droeg dezelfde donkerblauwe trui als de dag ervoor.
‘Hoe is het met je oog?’ vroeg ze.