Ik vond mijn achtjarige dochter op het terras, met gaas over één oog terwijl haar stiefmoeder haar met de tuinslang afspoelde. Het verband was nat en er kwam bloed doorheen; mijn dochter trilde zo hard dat ze niet kon antwoorden. Mijn vrouw zei dat ze was gevallen en vies was geworden. Pas in de auto fluisterde Lotte: ‘Papa, ik viel pas nadat ze water op me spoot.’

Lotte ging achter mij staan.

‘Ze hoeft nu niet met je te praten,’ zei ik.

Marieke keek naar mij. ‘Ik heb ook recht op een gesprek.’

‘Niet terwijl ze bang is.’

‘Bang? Erik, ze heeft een snee. Ik heb geprobeerd te helpen.’

‘Je hebt haar met een tuinslang afgespoeld terwijl ze bloedde.’

‘Ik wist niet hoe ernstig het was.’

‘Dan bel je een arts. Je spoelt geen kind met een wond bij haar oog af.’

Marieke zette haar kopje neer. Het maakte een klein, hard geluid op het aanrecht.

‘Je had toch al besloten dat ik de slechterik ben.’

‘Ik heb nog niet besloten wat er precies gebeurd is. Ik weet wel dat Lotte jou niet in de buurt wil.’

‘Na één val.’

Ik voelde de woorden in mijn borst blijven steken. Ik had ze eerder van haar gehoord. Ze struikelt altijd. Alsof dit incident een gewoonte was en geen waarschuwing.

‘Ik slaap vannacht met Lotte bij Anouk,’ zei ik. ‘Morgen praten we verder.’

‘Je kunt me niet zomaar uit mijn eigen huis zetten.’

‘Dat doe ik niet. Ik neem mijn dochter mee omdat ze zich hier niet veilig voelt.’

Marieke keek naar Lotte. Haar stem werd zachter. ‘Je weet dat ik van je hou, toch?’

Lotte drukte haar gezicht tegen mijn rug.

Marieke keek weer naar mij. ‘Dit is precies wat ze wil.’

Die zin veranderde iets. Niet omdat hij hard was, maar omdat hij Lotte tot dader maakte.

Ik pakte haar tas en haar medicijnen. Marieke volgde ons tot aan de voordeur, maar hield ons niet tegen. In de auto zat Lotte met haar hand op het verband. Ze zei de hele rit niets.

Bij Anouk thuis at ze wat soep en viel ze op de bank in slaap. Pas toen ze wakker werd, vroeg ze of ik naast haar wilde zitten.

‘Ik moet je iets vertellen,’ zei ze.

Ik wachtte.

‘Dit is niet de eerste keer dat ze boos werd en daarna zei dat het mijn schuld was.’

Ik voelde mijn rug verstijven. ‘Wat bedoel je?’

‘Ze heeft me niet eerder met de slang gespoten. Maar ze heeft mijn arm hard vastgepakt. En ze deed de deur van de bijkeuken op slot.’

‘Wanneer?’

‘Vorige maand. Ik had haar mok laten vallen.’

‘Hoe lang zat je daar?’

‘Tot jij thuiskwam.’

Ik kneep mijn ogen dicht. Op die dag had Marieke me geappt dat Lotte een driftbui had gehad en in haar kamer zat om af te koelen. Ik was thuisgekomen, had Lotte niet gezien en was ervan uitgegaan dat ze sliep.

‘Heb je toen iets tegen mij gezegd?’

‘Ik zei dat ik niet naar de bijkeuken wilde. Jij zei dat ik Marieke niet moest uitdagen als ze moe was.’

Mijn vingers lagen om de rand van de bank. Ik liet ze los, één voor één.

‘Het spijt me,’ zei ik.

Lotte haalde haar schouders op. Ze leek die woorden niet te vertrouwen. Dat kon ik haar niet kwalijk nemen.

Die middag belde ik de huisarts en daarna Veilig Thuis voor advies. Ik vertelde alleen wat Lotte had gezegd en wat de arts had vastgesteld. De medewerker stelde gerichte vragen: of Lotte nu veilig was, of er eerder letsel was geweest, of Marieke alleen met haar was geweest. Ze gaf aan dat we de gesprekken met Lotte niet zelf moesten blijven herhalen. Het was beter als een professional haar rustig zou spreken.

Ik vroeg of dit meteen betekende dat er een melding werd gedaan.

‘We bespreken samen welke stap nodig is,’ zei ze. ‘Maar gezien het letsel en wat uw dochter vertelt, wil ik dat u dit niet als een gewone ruzie tussen twee gezinsleden behandelt.’

Die avond belde Marieke opnieuw. Ik nam op omdat ik niet wilde dat ze nog meer berichten naar Lotte stuurde.

‘Ik heb alles rustig bekeken,’ zei ze. ‘Ik had de slang niet op haar moeten richten. Ik was boos en ik dacht dat ze gewoon zou wegrennen.’

‘Ze is gevallen.’

‘Dat was een ongeluk.’

‘Ze zegt dat je haar hard hebt vastgehouden.’

‘Ik wilde haar tegenhouden.’

‘En de bijkeukendeur?’