‘Nee.’
‘Dat hoeft niet.’
Ze keek naar de la. ‘Misschien later. Maar nu niet.’
Een halfjaar na het incident verhuisden Lotte en ik naar een rijtjeshuis in Leidsche Rijn. Niet ver van haar school en op fietsafstand van Anouk. Ik nam minder avonddiensten aan. De eerste weken controleerde ik elke avond of haar deur openstond, niet omdat ik haar wilde bewaken, maar omdat ik wilde laten merken dat ze mij kon vinden.
Op een dinsdagavond stond ik in de keuken aardappels te schillen toen Lotte binnenkwam met haar schrift.
‘Papa, ik moet iets vertellen.’
Ik legde het mes neer. Ik zei niet dat het waarschijnlijk wel meeviel. Ik zei niet dat ze eerst haar huiswerk moest afmaken.
‘Ik luister.’
Ze vertelde dat een meisje uit haar klas haar op het schoolplein had uitgelachen om de pleister op haar wenkbrauw. Niet omdat het verschrikkelijk was, zei ze, maar omdat ze niet wist of ze het tegen de juf moest zeggen.
‘Wat zou je zelf willen?’ vroeg ik.
‘Dat je niet meteen boos wordt.’
‘Op jou word ik niet boos omdat je iets vertelt.’
Ze keek naar mijn gezicht, alsof ze de zin ergens op wilde controleren. Toen schoof ze haar schrift naar me toe. Op de kaft had ze met blauwe stift een kleine tuin getekend. Een terras, een gieter en een hek met de poort open.
Ik vroeg niet waarom ze die tekening had gemaakt. Ik vroeg of ze wilde dat ik met de juf belde. Ze zei dat ze dat samen met mij wilde doen.
Die avond liet ik de keukenlamp branden terwijl ze boven haar tanden poetste. Het was geen groot gebaar. Alleen licht onder de deur en mijn stem toen ze riep dat ze haar knuffel niet kon vinden.
‘Ik kom eraan.’
Deze keer ging ik meteen.