De rechter vond die uitleg onvoldoende. Maarten kreeg een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij verloor tijdelijk het contact met Daan; later mocht hij zijn zoon alleen onder begeleiding zien. De verkoop van het huis werd stilgelegd. Sanne kreeg het hoofdverblijf van Daan en het gezamenlijk gezag bleef voorlopig bestaan, met duidelijke voorwaarden en toezicht.
De arts die het rapport had ondertekend, bleek zijn inloggegevens niet goed te hebben beveiligd. Hij werd niet strafrechtelijk vervolgd, maar kreeg een waarschuwing van de inspectie en moest zijn praktijkprocessen aanpassen. Het onderzoek wees uit dat een medewerker van Vermeer Vastgoed het document had aangemaakt. Die medewerker bekende dat Maarten hem had gevraagd “iets op papier te zetten” over Sanne’s vermeende instabiliteit. Hij werd ontslagen en kreeg een strafrechtelijke aantekening wegens valsheid in geschrifte.
Maarten verkocht zijn bedrijf later aan een concurrent. De stichting waarvoor hij zich zo graag liet fotograferen, verwijderde zijn naam van de website. Op zijn vastgoedborden verscheen een andere projectontwikkelaar.
Sanne en Daan gingen in Haarlem wonen, in een bovenwoning met een smalle trap en uitzicht op een binnentuin. Het was geen groot huis. De eerste keer dat ik er kwam, stond er een verhuisdoos in de gang met daarop in dikke letters: KEUKEN. Op tafel lag een sleutelbos. Sanne had de sleutels van het vakantiehuis nog steeds.
‘Ik weet nog niet wat ik ermee doe,’ zei ze.
‘Je hoeft het vandaag niet te beslissen.’
Ze knikte. Daarna zette ze koffie. Haar hand trilde nog een beetje bij het inschenken, maar ze morste niet.
Ik sliep toen niet meer in mijn bestelbus. Een opvangmedewerker had me geholpen met een briefadres en een tijdelijke kamer via de gemeente. Later kreeg ik een kleine huurwoning in Schalkwijk. De vloer kraakte en het raam keek uit op een parkeerplaats, maar de voordeur kon op slot. De eerste nacht sliep ik met de sleutel onder mijn kussen.
Daan kwam me een paar maanden na de vondst opzoeken. Hij had een tekening bij zich: een grijze koelkast met een rode deur. Ernaast stond een man in een grote jas. Boven de koelkast had hij een zon getekend, hoewel er die nacht geen zon was geweest.
‘Die was er niet,’ zei ik.
‘Ik weet het,’ zei Daan. ‘Maar ik wilde er een tekenen.’
Hij gaf me de tekening. Ik zette hem op mijn koelkast, die tweedehands was maar netjes werkte.
Bij het afscheid vroeg hij of ik nog steeds op het terrein sliep.
‘Nee.’
‘Goed.’
Hij zei het zonder glimlach. Daarna liep hij naar zijn moeder, die op de stoep wachtte. Sanne had haar hand op zijn schouder gelegd, niet om hem vast te houden, maar om hem te laten weten waar ze was.
Ik bleef in de deuropening staan tot ze de hoek om waren.
Ik had die nacht geen heldendaad verricht. Ik had een verroeste deur opengetrokken omdat er iemand in zat. Daarna had ik, voor het eerst in lange tijd, niet gedaan alsof iets wat ik zag mijn zaak niet was.
Op mijn koelkast hangt de tekening nog steeds. De rode deur is scheef. De zon erboven heeft veel te veel stralen. Ik laat hem hangen.