‘Hij weet wie je bent,’ zei Marieke. ‘Hij wil alleen niet bij je zijn.’
Ze zei het zacht, bijna verontschuldigend. Toch klonk het alsof ze de deur voor me dichttrok.
Moos stond achter in de ren, met zijn rug tegen het houten schot. Zijn oren lagen plat. Toen ik één stap zette, draaide hij zich om en verdween achter het hokje waar zijn waterbak stond.
Ik bleef bij de ingang staan. In mijn hand hield ik een zakje met de gedroogde worstjes die Daan altijd voor hem meenam.
‘Ik kan hem ook even alleen laten,’ zei Marieke.
‘Dat heb je de vorige twee keer ook gezegd.’
Ze keek naar mijn hand, niet naar mijn gezicht. ‘Hij heeft tijd nodig.’
Drie maanden eerder was mijn broer, Daan de Wit, met zijn fiets aangereden op een smalle weg buiten Utrecht. De bestuurder van de bestelbus was doorgereden. Een vrouw die met haar hond wandelde, had Daan gevonden. Hij overleed diezelfde middag in het ziekenhuis.
Moos zat die dag in het zijspan van Daans fiets. Hij had het ongeluk overleefd, maar was daarna wekenlang niet van zijn plaats gekomen. Marieke had hem naar een opvang gebracht omdat haar appartement geen tuin had en ze zelf nauwelijks sliep. Dat begreep ik. Wat ik niet begreep, was waarom ze mij steeds op afstand hield.
Daan en ik waren geen mensen van lange gesprekken. We konden maanden zwijgen en daarna doen alsof er niets was gebeurd. Maar in de week voor zijn dood hadden we ruzie gehad over de fietsenzaak die hij samen met zijn zakenpartner Bas runde. Daan vond dat Bas geld uit de zaak haalde zonder het goed te verantwoorden. Ik had gezegd dat hij overal een probleem van maakte.
Ons laatste telefoongesprek duurde nog geen minuut.
‘Je hoeft mij niet te bellen als je alleen maar wilt horen dat je gelijk hebt,’ had ik gezegd.
Daarna had ik opgehangen.
Marieke wist dat. Ze had het me verteld op de begrafenis, terwijl ze mijn hand vasthield en zei dat Daan er toch wel overheen zou komen. Sindsdien hoorde ik die zin telkens terug als ik alleen was.
Bij de opvang in Maarssen werkte Anouk, een rustige vrouw van eind vijftig met grijze haren en een map vol notities. Ze hield niet van mensen die de hond uit zijn hoek wilden lokken. ‘Moos moet zelf kiezen,’ zei ze. ‘En als hij dat niet doet, gaan we niet trekken.’
De eerste twee bezoeken had ik dat geprobeerd. Ik had geknield, mijn blik afgewend en mijn hand laag gehouden. Moos had zich steeds verder teruggetrokken. Bij de derde keer kwam Marieke mee. Ze had haar hand op mijn schouder gelegd en gezegd dat ik niet te hard mijn best moest doen.
Ik trok mijn schouder onder haar hand vandaan.
‘Hij reageert niet op iedereen zo,’ zei ik tegen Anouk.
‘Nee,’ zei ze. ‘Maar bij een verlies kan een hond lang van slag zijn. Soms koppelt hij iemand aan een periode waarin alles veranderde.’
‘Je bedoelt mij.’
‘Dat zei ik niet.’
Marieke vouwde haar armen over elkaar. ‘Daan heeft de laatste tijd veel met haar gesproken. Misschien voelde Moos de spanning.’
Ik keek haar aan. ‘Je was er niet bij.’
‘Ik woonde met hem.’
‘Dat is niet hetzelfde.’
Anouk ging tussen ons in staan zonder er iets van te zeggen. Ze vroeg of ik de volgende keer zonder voer wilde komen. Zonder jas, als dat kon. Geen tas, geen haast. Gewoon gaan zitten.
Ik vond het advies bijna beledigend simpel, maar ik kwam terug.
Die middag regende het. Ik liet mijn natte jas in de auto liggen en ging de ren in met lege handen. Marieke was er niet. Anouk bleef buiten het hek zitten met een mok koffie.
Ik ging op een omgekeerde emmer zitten, met mijn handen op mijn knieën. Moos stond achter in de ren. Hij keek niet naar me, maar zijn oren bewogen bij elk geluid.
‘Je hoeft niet naar me toe te komen,’ zei ik.
Dat was alles.
Ik vertelde hem dat Daan altijd zijn gereedschap op de verkeerde plek liet liggen. Dat hij zijn koffie zwart dronk en toch elke keer suiker kocht voor anderen. Dat hij drie maanden lang had beloofd mijn kapotte fiets te repareren en het niet had gedaan. Ik praatte niet tegen de hond omdat ik dacht dat hij de woorden begreep. Ik had alleen niemand anders aan wie ik ze kon vertellen.
Na een tijdje stond Moos op. Hij liep niet naar me toe, maar naar de deur van het kleine opslaghok in de hoek. Daar bleef hij staan, met zijn neus tegen de onderste kier.
‘Doet hij dat vaker?’ vroeg ik.