Anouk stond op. ‘Sinds gisteren.’
Ze opende het hok. Er stonden zakken voer, een bezem en een plastic krat. Moos liep naar een versleten leren werkhandschoen die op een plank lag. Hij duwde er met zijn neus tegenaan.
Ik kende die handschoen. Daans rechterhandschoen, met een scheur bij de duim.
‘Waar komt die vandaan?’
‘Marieke heeft een doos met zijn spullen gebracht,’ zei Anouk. ‘Ze zei dat we die hier konden bewaren tot jullie wisten wat ermee moest gebeuren.’
Ik pakte de handschoen niet meteen op. Moos snuffelde aan mijn mouw. Toen legde hij zijn kop tegen mijn knie. Zijn vacht rook naar nat stro en iets bitters van het ontsmettingsmiddel dat Anouk gebruikte.
Ik hield mijn hand stil. Moos duwde er met zijn snuit tegenaan.
Het was geen vergeving. Het was geen teken dat hij mij ineens alles had begrepen. Het was alleen een hond die eindelijk niet meer wegliep.
En toch moest ik mijn blik afwenden.
‘Hij heeft je niet afgewezen,’ zei Anouk later, toen Moos weer buiten lag. ‘Hij was bang. Dat is iets anders.’
De volgende ochtend belde Marieke me.
‘Ik hoorde dat je bij Moos bent geweest.’
‘Anouk heeft het je verteld?’
‘Ze stuurde een bericht. Ik ben blij dat hij wat rustiger wordt.’
‘Hij kwam naar me toe.’
Aan de andere kant bleef het even stil. ‘Dat is fijn.’
‘Marieke, waarom heb je Daans spullen naar de opvang gebracht?’
‘Omdat ik ze niet in mijn appartement wilde laten staan.’
‘Er zat een werkhandschoen tussen.’
‘Daan had er honderden.’
‘Niet met een scheur op dezelfde plek als de zijne.’
Ze zuchtte. ‘Noor, ik weet niet waar je op uit bent.’
‘Op een eerlijk antwoord.’
‘Je broer is dood. Je hoeft niet overal een verborgen bedoeling achter te zoeken.’
Ze verbrak de verbinding voordat ik kon antwoorden.
Twee dagen later kreeg ik een brief van een notaris in Utrecht. Ik dacht eerst dat het om Daans nalatenschap ging. De brief vroeg mij om langs te komen voor een bespreking over een document dat Daan zes weken voor zijn dood had laten vastleggen.
Ik belde Marieke. Ze wist van niets.
‘Misschien gaat het over de zaak,’ zei ze. ‘Bas regelt dat allemaal.’
‘Daan had jou toch als contactpersoon opgegeven?’
‘Dat dacht ik.’
Bij de notaris, mevrouw Van Loon, zat Bas al aan tafel. Hij was Daans zakenpartner en sinds hun jeugd een vaste aanwezigheid in ons leven. Hij had Daan geholpen toen die de fietsenwinkel opende en had op de begrafenis de kist gedragen. Hij droeg een donkerblauw overhemd en legde zijn telefoon met het scherm naar beneden naast zijn stoel.
‘Noor,’ zei hij. ‘Ik wist niet dat jij ook zou komen.’
‘Dat staat in de brief.’
De notaris legde een map open. ‘Daan heeft een aanvulling op zijn testament laten registreren. Het gaat om zijn aandeel in de winkel, zijn persoonlijke bezittingen en de zorg voor Moos.’
Bas schoof zijn stoel iets naar achteren. ‘Dat is vreemd. We waren bezig met een overdracht.’
‘Welke overdracht?’ vroeg ik.
‘Daan wilde zijn aandeel aan mij verkopen. We hadden daar afspraken over.’
‘Een concept,’ zei mevrouw Van Loon. ‘Er is geen geldige verkoopovereenkomst bij ons geregistreerd.’
Bas keek naar de notaris. ‘We hadden het mondeling afgesproken.’
‘Dan is het nog niet afgerond.’
De aanvulling was kort. Daan had mij aangewezen als degene die voor Moos moest zorgen als hij dat zelf niet meer kon. Over zijn aandeel in de zaak had hij geen wijziging laten vastleggen. Dat zou volgens het bestaande testament naar mij en Marieke gaan, ieder voor de helft.
Ik keek naar Marieke. Ze knipperde snel en vouwde haar handen in elkaar.
‘Je zei dat Daan de winkel aan Bas had verkocht,’ zei ik.
‘Dat zei Bas tegen mij.’
Bas wreef met zijn duim over de rand van zijn telefoon. ‘Daan had schulden. Hij wilde voorkomen dat jullie daarmee zouden blijven zitten.’
‘Welke schulden?’
‘Leveranciers. Belastingen. Er waren achterstanden.’
Mevrouw Van Loon sloeg een bladzijde om. ‘Volgens de cijfers die ik heb ontvangen, is er een zakelijke lening van honderdtwintigduizend euro. Die staat op naam van de vennootschap. Daan heeft persoonlijk meegetekend.’
‘Ik heb nooit gezegd dat de cijfers klopten,’ zei Bas.
‘Je zei dat Daan het geld nodig had,’ zei Marieke.
Bas keek haar aan. ‘Dat was ook zo.’
Ik dacht aan Daan aan de telefoon. Aan zijn korte ademhaling en de manier waarop hij had gezegd dat ik niet begreep hoe erg het was.
‘Hij had mij daarover kunnen vertellen,’ zei ik.
Marieke wreef over de ringvinger van haar linkerhand. ‘Misschien wilde hij je er niet bij betrekken.’
Daar zat iets in. Maar het maakte de rest nog niet logisch.
Na de bespreking vroeg de notaris of we buiten de aanwezigheid van Bas verder wilden praten. Hij vertrok zonder ons aan te kijken.
‘Wist je dat Daan mij in zijn testament had gezet voor Moos?’ vroeg ik aan Marieke.