‘Nee.’
‘Dacht je dat hij Bas de winkel had beloofd?’
‘Bas zei dat er een afspraak was. Ik heb hem geloofd.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik Daan niet meer kon bereiken. En omdat er rekeningen binnenkwamen die ik niet kon betalen.’
Ze klonk niet boos. Eerder moe. Dat maakte het moeilijker om haar als leugenaar weg te zetten.
‘Je zei dat Moos mij niet meer vertrouwde.’
Ze keek naar het raam. ‘Ik zei wat ik dacht.’
‘Je zei het alsof je het zeker wist.’
‘Noor, ik wist niet wat ik anders moest zeggen. Je kwam daar binnen met je tas en je jas en je deed alsof je hem zomaar kon meenemen. Hij kroop weg. Ik wilde niet dat je hem meenam.’
‘Waarom niet?’
Ze streek met haar vingers over een losse draad aan haar mouw. ‘Omdat ik bang was dat hij mij dan helemaal kwijt zou raken.’
Dat was tenminste eerlijk.
‘Daan had jou niet aangewezen,’ zei ze. ‘Dat wist ik niet.’
‘En nu?’
‘Nu weet ik het wel.’
Ik wachtte, maar ze zei niets meer.
De map van de notaris bevatte een kopie van Daans aantekening, ondertekend en gedateerd. Er stond ook bij dat hij op een later moment de details over de winkel wilde bespreken. De notaris had zijn identiteit gecontroleerd. Het document was echt.
Dat was de eerste verrassing. De tweede kwam een week later.
Anouk belde me vanuit de opvang. Moos had een dunne leren halsband uit de doos met Daans spullen gehaald en bleef ermee naar de deur lopen. Ze vroeg of ik wist van wie die was.
Ik kende de halsband. Daan gebruikte hem alleen tijdens lange fietstochten, als Moos in het zijspan zat. Aan de binnenkant zat een metalen plaatje met zijn telefoonnummer.
‘Er zit iets in de voering,’ zei Anouk. ‘Een hard stukje. Ik wil hem niet openknippen zonder jouw toestemming.’
Ik reed naar Maarssen. Moos stond bij de deur van zijn ren, onrustig maar niet bang. Toen ik binnenkwam, bleef hij staan. Hij snuffelde kort aan mijn hand en draaide zich daarna naar de halsband.
Anouk haalde een klein zakmes uit haar jas. Ik knikte.
Ze maakte een steekje los aan de binnenkant. Tussen het leer en de voering zat een opgevouwen papiertje, geel geworden aan de rand.
Daans handschrift.
Noor, als je dit leest, heb je Moos waarschijnlijk al gezien. Hij weet wie je bent. Laat niemand je wijsmaken dat jij hem niet aankunt. Vraag Van Loon om de map uit mijn kluis. De code is de datum waarop pap ons leerde fietsen. Daan.
Ik las het twee keer. Mijn broer had dit geschreven vóór zijn dood. Niet in de laatste weken, maar op een moment waarop hij nog dacht dat hij misschien niet meer terug zou komen. Hij had de halsband in de doos gelegd, waar Marieke hem kon vinden.
‘We moeten dit aan de notaris laten zien,’ zei Anouk.
Ik knikte.
De kluis stond in de fietsenwinkel. Mevrouw Van Loon ging met mij mee. Marieke kwam ook. Bas was er al toen we aankwamen.
‘Ik wist niet dat jullie zouden komen,’ zei hij.
‘Dat lijkt de laatste tijd vaak te gebeuren,’ zei ik.
De code werkte. In de kluis lagen bankafschriften, twee USB-sticks en een envelop met mijn naam erop. De notaris maakte foto’s van alles voordat iemand iets meenam.
De afschriften lieten betalingen zien aan een eenmanszaak die op naam stond van Bas’ broer. Samen ging het om ruim tachtigduizend euro. De bedragen waren als onderdelen en onderhoud geboekt, maar de facturen kwamen van bedrijven die niet bestonden. De USB-sticks bevatten scans van die facturen en een bestand met Daans aantekeningen.
Er zat ook een conceptovereenkomst tussen, waarin stond dat Bas Daans aandeel in de winkel voor een symbolisch bedrag zou overnemen. De handtekening van Daan stond onderaan.
‘Dat heb ik nooit gezien,’ zei Marieke.
Bas sloeg de map dicht. ‘Dit is niet wat het lijkt.’
De notaris legde haar hand op de map. ‘Dan kunt u uitleggen waar de facturen vandaan komen.’
‘Daan wist dat ik geld voorschotelde. Hij vond het goed.’
‘Waarom staan er dan andere bedragen in zijn administratie?’
‘Hij hield alles zelf bij.’
‘En waarom is zijn handtekening onder een ongetekend concept ineens wel gezet?’
Bas keek naar mij. ‘Je broer was een moeilijke man. Als hij achterdochtig werd, kon hij alles verdraaien.’
‘Hij is dood,’ zei ik. ‘Dat maakt hem niet jouw alibi.’
Zijn gezicht veranderde. Het was geen woede; eerder het besef dat de kamer niet meer naar hem luisterde.
De notaris zei dat ze de stukken aan de accountant en aan de politie zou overdragen. Bas wilde weten of we hem beschuldigden van fraude. Niemand antwoordde.
Marieke stond bij de werkbank met haar handen om haar ellebogen. Ze keek naar een oude foto van Daan en mij, genomen toen we tieners waren. Hij stond met een fiets naast me en had zijn arm om mijn schouders gelegd. Ik had mijn ogen dichtgeknepen tegen de zon.
‘Hij vertelde me dat hij jou niet meer vertrouwde,’ zei ze.
Ik keek naar haar.
‘Wanneer?’
‘Een maand voor het ongeluk. Hij zei dat je hem altijd liet vallen als het moeilijk werd.’
De woorden troffen harder dan ik had verwacht. Ik wilde zeggen dat hij hetzelfde bij mij had gedaan. Dat hij mij alleen belde als hij geld of hulp nodig had. Maar ik keek naar de envelop in mijn hand.
‘Heeft hij dat gezegd, of zei hij dat jij mij niet mocht bellen?’
Marieke trok haar armen strakker tegen zich aan. ‘Wat bedoel je?’
‘Je hebt hem nooit gevraagd of hij wilde dat Moos bij mij kwam. Je hebt hem ook nooit gevraagd wat hij met de winkel wilde doen.’
‘Ik had mijn eigen problemen.’
‘Dat geloof ik.’