Drie maanden na de fatale botsing vluchtte de hond van mijn broer telkens naar de verste hoek van zijn ren zodra ik binnenkwam; zijn verloofde zei dat hij mij nooit meer zou vertrouwen.

‘Daan kon niemand toelaten als hij zich schaamde. Ik wilde hem beschermen.’

‘Door mij buiten te sluiten?’

Ze keek weg. ‘Ik dacht dat ik de rust bewaarde.’

Ik had dat soort zinnen vaak genoeg gehoord. Ik bedoelde het goed. Alsof goede bedoelingen de schade konden terugdraaien.

‘Dat deed je niet,’ zei ik. ‘Je bepaalde wie de waarheid mocht horen.’

Ze huilde niet. Ze knikte één keer, langzaam.

De politie onderzocht de administratie. De accountant vond nog meer betalingen aan bedrijven van Bas’ broer. Bas ontkende eerst dat hij ervan wist. Daarna gaf hij toe dat hij rekeningen had goedgekeurd zonder te controleren. Hij zei dat hij geld had voorgeschoten voor de winkel en zichzelf daarvoor had terugbetaald.

Dat was niet hetzelfde als wat Daan had genoteerd.

De forensisch onderzoeker kon geen definitief oordeel geven over de handtekening op de conceptovereenkomst, maar zag duidelijke afwijkingen. De notaris had het originele document nooit ontvangen. Bas had het uit de kluis gehaald en later teruggelegd, zo bleek uit de beelden van de deurcamera die de winkelier van het pand ernaast had overhandigd. Die camera liet zien hoe Bas twee dagen na het ongeluk met een sleutel de winkel binnenging en twintig minuten later met een map naar buiten kwam.

Bas zei dat hij de administratie veilig had willen stellen.

De politie nam de zaak in onderzoek. De overdracht van Daans aandeel ging niet door. Na bemiddeling met de notaris en de accountant stemde Bas ermee in zijn deel van de betwiste bedragen terug te betalen en afstand te doen van zijn rol in de winkel. De zaak werd later verkocht aan een lokale fietsenmaker, onder toezicht van de executeur. De politie bleef de vermoedelijke valsheid in geschrifte onderzoeken.

Bas werd niet meteen veroordeeld. Dat was ook niet wat ik nodig had. Ik wilde dat hij niet langer kon doen alsof Daan hem iets verschuldigd was.

Marieke en ik spraken elkaar een paar weken later opnieuw bij de opvang. Ze had de ring afgedaan. Ze vertelde dat ze een kleinere woning had gevonden in Nieuwegein en dat ze de winkel niet meer zou bezoeken.

‘Ik wilde niet dat hij jou weer kwijtraakte,’ zei ze.

‘Hij was mijn broer.’

‘Ik weet het.’

‘Je had me kunnen bellen.’

‘Ja.’

Ze zei het zonder uitleg. Daar kon ik meer mee dan met een verontschuldiging die alles glad moest strijken.

Moos kwam bij mij wonen zodra de opvang en de dierenarts vonden dat hij eraan toe was. Mijn woning had geen tuin, maar wel een klein plaatsje achter. De eerste nacht lag hij met zijn kop bij de voordeur. Ik liet de deur naar de slaapkamer openstaan. Hij kwam niet naar binnen.

De tweede nacht sliep hij in de gang.

Op de vierde dag zette ik Daans oude werkkist in de hoek van de woonkamer. Moos liep eromheen, snoof aan het hout en ging ernaast liggen. Ik vroeg Anouk later of ze dacht dat hij iets herkende.

‘Hij herkent de geur,’ zei ze. ‘Meer hoeven we er niet van te maken.’

Ik vond dat een goed antwoord.

De weken daarna liep Moos elke ochtend met mij langs het kanaal. Hij trok niet aan de lijn. Soms stopte hij bij een brug en keek naar het water. Ik dacht dan aan de weg waar Daan was gevallen, maar ik zei zijn naam niet altijd hardop.

Op een zondag legde Moos zijn kop op mijn voet terwijl ik aan de keukentafel zat. Ik had de envelop van Daan opnieuw geopend. De brief eindigde met één regel die ik bij de eerste keer niet had opgemerkt.

Als je boos op me bent, mag je dat zijn. Maar laat de hond er niet voor boeten.

Ik vouwde het papier dicht. Daarna zette ik mijn kopje in de gootsteen, deed mijn jas aan en maakte de lijn vast aan Moos’ halsband.

Buiten regende het zacht. Bij de hoek draaide hij zich om en wachtte op me.

Ik sloot de deur achter ons. Niet omdat ik alles had vergeven, maar omdat ik eindelijk wist waar ik heen moest.