DEEL 8 — DE EERSTE VROUW
Vos nam het nummer direct over.
Het bleek een prepaidnummer dat inmiddels buiten gebruik was.
Maar de woorden bleven door mijn hoofd spoken.
Je bent niet de eerste.
‘Heeft Bastiaan eerder iemand vergiftigd?’
‘We weten niet eens zeker of de afzender dat bedoelt,’ zei Vos.
‘Wat kan het anders betekenen?’
Ze gaf geen antwoord.
Bastiaan was vóór mij één keer getrouwd geweest.
Dat wist ik natuurlijk.
Zijn eerste vrouw heette Evelien Kuipers.
Hij had altijd gezegd dat het huwelijk jong, impulsief en kort was geweest.
Volgens Bastiaan was Evelien daarna naar Canada geëmigreerd.
Ik had nooit vragen gesteld.
Waarom zou ik?
Dat huwelijk lag jaren vóór onze ontmoeting.
Vos zocht haar op.
Evelien was nooit naar Canada verhuisd.
Ze was in Nederland gebleven.
En twaalf jaar geleden overleden.
Drie maanden voordat ik Bastiaan leerde kennen.
Mijn maag draaide om.
‘Waaraan?’
Vos schoof een oud dossier naar me toe.
‘Verkeersongeval.’
‘Dat is toch iets anders?’
‘Misschien.’
‘Maar?’
‘Bastiaan was destijds begunstigde van haar levensverzekering.’
Het bedrag bedroeg 180.000 euro.
Met dat geld had hij volgens openbare bedrijfsdocumenten zijn eerste onderneming gestart.
Die onderneming was later failliet gegaan.
Kort daarna had hij mij ontmoet.
‘Was het ongeluk verdacht?’
‘Destijds niet.’
‘En nu?’
Vos keek me aan.
‘Nu kijken we opnieuw.’
Evelien was op een regenachtige avond met haar auto van een provinciale weg geraakt.
Geen andere voertuigen.
Geen remsporen.
Geen alcohol.
Wel had een getuige verklaard dat zij die middag duizelig leek.
Er was nooit uitgebreid toxicologisch onderzoek gedaan.
Het was twaalf jaar geleden.
‘Mijn god.’
Mijn moeder zat naast het raam.
‘Hij heeft jou vanaf het begin uitgekozen.’
‘Dat weten we niet.’
‘Sophie.’
Ze keek me aan met een verdriet dat bijna erger was dan woede.
‘Je had een eigen huis, een goedlopende onderneming en geen kinderen. Natuurlijk heeft hij je uitgekozen.’
Ik wilde haar tegenspreken.
Maar de feiten lagen voor me.
Toen Bastiaan mij ontmoette, was ik 32.
Mijn bedrijf draaide goed.
Ik had net de villa geërfd.
Ik had vermogen.
En ik was verliefd geworden op een charmante man die zei dat hij opnieuw wilde beginnen.
Misschien was dat precies wat hij had gedaan.
Opnieuw beginnen.
Met iemand anders haar geld.
Die avond ontving Vos eindelijk gegevens over Northbridge Holdings.
Ik verwachtte Bastiaan.
Of Feline.
Of dokter De Ruiter.
Geen van drieën.
De uiteindelijke belanghebbende was een vrouw.
Lydia van Heemstra.
Ik kende die naam.
Niet persoonlijk.
Maar iedereen in onze zakelijke kring kende haar.
Lydia was bestuurder van een investeringsfonds waarmee Bastiaan al twee jaar probeerde samen te werken.
Een stijlvolle weduwe van midden vijftig.
Rijk.
Invloedrijk.
En, volgens Bastiaan, ‘onbereikbaar’.
‘Waarom ontvangt zij mijn geld?’
‘Dat willen wij ook weten.’
Vos had haar al benaderd.
Lydia beweerde nergens van te weten.
Maar haar advocaat had onmiddellijk gevraagd of zij als getuige of verdachte werd gehoord.
Dat vond Vos opvallend.
‘Ik wil haar zien.’
‘Dat is geen goed idee.’
‘Waarom?’
‘Omdat u slachtoffer bent in een lopend strafrechtelijk onderzoek.’
‘En omdat u denkt dat ze gevaarlijk is?’
Vos zweeg.
Dat was antwoord genoeg.
Die nacht droomde ik opnieuw van de kist.
Alleen lag ik dit keer niet binnenin.
Bastiaan lag erin.
Feline stond ernaast.
Dokter De Ruiter hield de deksel vast.
En achter hen stond een vrouw die ik alleen kende van foto’s.
Lydia.
Toen ik wakker werd, lag er een nieuwe envelop op het nachtkastje.
Niemand wist hoe hij daar was gekomen.
Op de voorkant stond met de hand:
VOOR SOPHIE. ALLEEN OPENEN.
Binnenin zat één foto.
Bastiaan en Lydia.
Ze kusten elkaar.
Op de achterkant stonden vier woorden.
Vraag wie het plan bedacht.
DEEL 9 — DE VROUW ACHTER MIJN ECHTGENOOT
Lydia kwam niet naar mij.
Ik kwam naar haar.
Niet letterlijk.
De politie stond het uiteraard niet toe dat ik na mijn ontslag uit het ziekenhuis naar haar kantoor marcheerde.
Maar Marieke ontdekte iets veel nuttigers.
Lydia van Heemstra had drie jaar eerder geprobeerd mijn bedrijf over te nemen.
Indirect.
Via een investeringsmaatschappij die destijds een bod had uitgebracht.
Ik had geweigerd.
Het aanbod was goed geweest, maar ik wilde mijn bedrijf niet verkopen.
Bastiaan had maandenlang geprobeerd me op andere gedachten te brengen.
‘Dit is onze kans om echt vrij te zijn,’ zei hij toen.
Ik herinnerde me mijn antwoord nog.
‘Jij bent al vrij. Jij bezit het bedrijf niet.’
Hij had drie dagen nauwelijks tegen me gesproken.
Destijds dacht ik dat ik zijn ego had gekwetst.
Nu begreep ik dat ik misschien een veel groter plan had geblokkeerd.
Marieke legde documenten op tafel in het appartement waar ik tijdelijk met mijn moeder verbleef.
‘Als jij overlijdt en Bastiaan via het vervalste testament de villa en voldoende zeggenschap over je zakelijke nalatenschap krijgt, kan hij proberen de onderneming alsnog te verkopen.’
‘Aan Lydia.’
‘Waarschijnlijk.’
‘En die betalingen?’
‘Mogelijk voorschotten. Of witgewassen retourbetalingen.’
‘Dus hij steelt mijn geld om mensen te betalen die mijn dood voorbereiden, waarna mijn bedrijf voor goedkoop naar zijn minnares gaat?’
Marieke trok een wenkbrauw op.
‘Eén van zijn minnaressen.’
Dat stak onverwacht.
Feline was blijkbaar niet speciaal.
Niemand was speciaal voor Bastiaan.
Mensen waren functies.
Feline was toegang tot mij.
De Ruiter was de arts.
Ruben was de documentenman.
Lydia was het geld.
En ik?
Ik was het vermogen.
Rechercheur Vos kreeg ondertussen toestemming om Bastiaans oude zakelijke telefoons te onderzoeken.
Daarop stonden berichten met Lydia.
Geen expliciete bekentenis.
Wel zinnen die achteraf sinister klonken.
Zodra S. wegvalt, kan alles snel gaan.
F. wordt nerveus. Houd haar rustig.
M. heeft zijn deel ontvangen.
Na maandag bestaat er geen blokkade meer.
Maandag.
De dag na mijn geplande begrafenis.
Op maandag stond een bespreking gepland met Lydia’s investeringsfonds.
Mijn ‘dood’ was dus niet alleen emotioneel handig.
Hij was zakelijk getimed.
Feline brak diezelfde avond volledig tijdens haar verhoor.
Vos belde me pas na middernacht.
‘Ze wil een aanvullende verklaring afleggen.’
‘Waarom?’
‘Omdat ze bang is.’
‘Voor Bastiaan?’
‘Nee.’
‘Voor Lydia?’
Een stilte.
‘Ja.’
Feline vertelde dat Bastiaan haar maandenlang had laten geloven dat hij Lydia uitsluitend zakelijk gebruikte.
Feline dacht dat zij na mijn dood met Bastiaan naar Spanje zou vertrekken.
Hij had zelfs foto’s laten zien van een villa bij Marbella.
Maar twee weken voor mijn vergiftiging had Feline toevallig berichten gezien waaruit bleek dat Bastiaan en Lydia een relatie hadden.
Toen begreep ze dat ze zelf waarschijnlijk overbodig zou worden.
Daarom had ze die verzekering op Bastiaan afgesloten.
Niet omdat zij oorspronkelijk van plan was hem te vermoorden.
Volgens haar.
‘Gelooft u dat?’ vroeg ik.
‘Ik geloof dat Feline zichzelf probeert te redden.’
‘Dat vroeg ik niet.’
Vos zuchtte.
‘Nee. Ik geloof haar niet volledig.’
De volgende ochtend stond Sem bij de ontbijttafel terwijl mijn moeder boterhammen smeerde.
Hij tekende een huis.
Een zon.
Drie poppetjes.
‘Wie zijn dat?’ vroeg ik.
‘Oma. Jij. Ik.’
‘En je moeder?’
Hij kleurde verder zonder op te kijken.
‘Mama zit bij de politie.’
Mijn hart kneep samen.
‘Mis je haar?’
Hij haalde zijn schouders op.
Daarna fluisterde hij:
‘Ze zei dat ik nooit mocht vertellen over de blauwe tas.’
Mijn hand bleef halverwege mijn koffiekopje steken.
‘Welke blauwe tas?’
Sem keek op.
‘Die Bastiaan bij ons achter de wasmachine verstopte.’
Tien minuten later belde ik Vos.
De politie doorzocht Felines woning opnieuw.
Om 14.23 uur vonden ze de tas.
Er zaten geen wapens in.
Geen gif.
Geen contant geld.
Er zaten documenten in.
Een paspoort op Bastiaans foto met een andere achternaam.
Twee buitenlandse bankpassen.
Een sleutel van een opslagbox.
En een handgeschreven lijst met vier namen.
Bovenaan stond:
Evelien Kuipers.
Daaronder:
Sophie Vermeer.
De derde naam was:
Feline Vermeer.
En de vierde:
Lydia van Heemstra.
DEEL 10 — VIER VROUWEN, ÉÉN LIJST
Toen Vos de lijst op tafel legde, wist ik onmiddellijk dat er iets niet klopte.
‘Waarom staat Lydia erop als ze zijn partner is?’
‘Misschien is ze dat niet.’
‘Ze hebben een affaire.’
‘Dat betekent niet dat hij haar wil laten leven.’
Ik voelde een rilling.
Vier vrouwen.
Evelien was dood.
Ik had het ternauwernood overleefd.
Feline was betrokken bij mijn vergiftiging maar stond zelf op dezelfde lijst.
En Lydia financierde mogelijk het hele plan terwijl ze eveneens een doelwit kon zijn.
Bastiaan had geen partners.
Hij had fasen.
De sleutel uit de blauwe tas hoorde bij een opslagruimte in Hoofddorp.
De politie vond er dozen vol administratie.
Oude polissen.
Kopieën van paspoorten.
Financiële dossiers over vrouwen.
Krantenknipsels.
Contracten.
Foto’s.
En een map met mijn naam.
SOPHIE — FASE 3
Ik moest gaan zitten toen Vos me dat vertelde.
‘Wat stond erin?’
‘Dat kunnen we niet volledig delen terwijl het onderzoek loopt.’
‘Mijn naam staat op een map in een opslagruimte van mijn man.’
‘Ik begrijp het.’
‘Nee. Ik wil weten wat fase drie betekent.’
Vos hield even haar mond.
Toen legde ze het uit.
Fase één was binding.
Persoonlijke voorkeuren.
Kwetsbaarheden.
Sociale kring.
Vermogen.
Fase twee was isolatie en overdracht.
Toegang tot administratie.
Volmachten.
Bankzaken.
Zakelijke relaties.
Fase drie was exit.
Ik keek haar aan.
‘Exit.’
‘Ja.’
‘Zo noemde hij mijn dood.’
Vos zei niets.
Mijn map bevatte screenshots van mijn agenda, kopieën van oude medische gegevens en notities over mijn relatie met mijn moeder en zus.
Een regel was rood onderstreept.
Feline gevoelig voor erkenning, schulden en jaloezie. Mogelijke hefboom.
Ik moest overgeven.
Niet vanwege mijn lichamelijke herstel.
Van walging.
Bastiaan had mijn zus niet toevallig verleid.
Hij had haar geselecteerd.
Haar onzekerheid.
Haar jaloezie.
Haar financiële afhankelijkheid.
Alles was een instrument geweest.
Dat maakte Feline niet onschuldig.
Maar het maakte Bastiaan nog monsterlijker.
‘Was Evelien ook een fase?’
Vos knikte.
Haar opslagdoos was kleiner.
Maar de structuur was hetzelfde.
Binding.
Overdracht.
Exit.
‘Heeft hij haar vermoord?’
‘Dat onderzoeken we.’
‘Ik weet het al.’
‘Een vermoeden is geen bewijs.’
‘Voor mij wel.’
Vos keek me lang aan.
‘Dan moet u ons helpen het bewijs te vinden.’
De doorbraak kwam niet uit het verleden.
Maar uit Lydia.
Zij meldde zich vrijwillig bij de politie.
Niet uit gewetensnood.
Omdat ze de lijst had gezien via haar advocaat en begreep dat zij zelf gevaar liep.
Lydia gaf toe dat zij Bastiaan financieel had geholpen.
Maar ze beweerde dat ze dacht dat hij mij uitsluitend via een frauduleuze zakelijke constructie buitenspel wilde zetten.
‘Ze verwacht dat we geloven dat zij honderden duizenden euro’s verplaatste zonder vragen te stellen?’ vroeg ik.
Marieke trok haar mond scheef.
‘Rijke mensen noemen dat due diligence.’
Lydia had wel iets waardevols.
Opnames.
Ze vertrouwde Bastiaan al maanden niet volledig en nam sommige telefoongesprekken op.
In één opname hoorde je hem zeggen:
‘Na Sophie hoeft Feline niet lang meer mee te spelen.’
In een tweede:
‘De Ruiter denkt dat hij onmisbaar is. Dat probleem lost zichzelf op.’
En in de derde sprak Lydia hem rechtstreeks aan.
‘Wat als Sophie niet sterft?’
Bastiaan lachte.
‘Dan zorg ik dat ze de tweede keer niet wakker wordt.’
Ik hoorde die opname drie keer.
Daarna vroeg ik Vos:
‘Waar is hij?’
Ze keek me strak aan.
‘Verdwenen.’
Bastiaan had het hotel verlaten voordat de politie hem opnieuw kon aanhouden.
Zijn huurauto stond verlaten bij station Haarlem.
Telefoon uit.
Paspoort weg.
Maar zijn echte paspoort lag bij de politie.
Ik dacht aan de blauwe tas.
‘Hij heeft dat valse paspoort.’
Vos knikte.
‘Waarschijnlijk.’
‘Naam?’
Ze schoof een kopie naar me toe.
Thomas van Dijk.
Ik voelde plotseling geen angst meer.
Alleen een ijzige zekerheid.
Bastiaan had jarenlang mijn leven bestudeerd.
Mijn gewoonten.
Mijn zwaktes.
Mijn vertrouwen.
Nu kende ik eindelijk iets van hem.
Zijn methode.
En methodes maken mensen voorspelbaar.