DEEL 2 — LITTEKENS LIEGEN NIET
De rechtszaal was zo stil dat ik het zachte gezoem van de ventilatie kon horen.
Daan zat aan de andere kant van de zaal, tussen zijn advocaten, met dezelfde beheerste uitdrukking die hij jarenlang had gebruikt wanneer hij wist dat andere mensen keken.
Zelfverzekerd.
Kalm.
Bijna verveeld.
Alsof dit allemaal slechts een formaliteit was.
Alsof ik opnieuw precies zou doen wat ik acht jaar lang had gedaan.
Zwijgen.
Mijn advocaat, mr. Sophie van Leeuwen, stond op.
‘Edelachtbare, mijn cliënte wil graag reageren op de verklaringen die vandaag over haar zijn afgelegd.’
Daans advocaat kwam onmiddellijk overeind.
‘Bezwaar. De medische toestand van mevrouw De Vries is niet het onderwerp van—’
Ik keek hem aan.
‘Mijn medische toestand?’
Hij stopte.
Ik stond langzaam op.
‘Uw cliënt beweert dat ik mezelf verwond.’
Daan keek me voor het eerst die ochtend rechtstreeks aan.
‘Zijn moeder beweert hetzelfde,’ vervolgde ik. ‘En zijn assistente beweert dat ik gewelddadig ben.’
Sophie legde een hand op mijn dossier.
‘Daarom is de oorsprong van de verwondingen van mijn cliënte rechtstreeks relevant voor de betrouwbaarheid van die verklaringen.’
De rechter, mr. Hendrik van den Berg, keek over zijn bril.
‘Ik sta het toe. Maar blijft u bij de feiten.’
‘Dat is precies mijn bedoeling, edelachtbare.’
Ik liep naar voren.
Iedere stap voelde vreemd.
Niet omdat ik bang was voor de rechtszaal.
Integendeel.
Jaren geleden was dit mijn wereld geweest.
Ik kende de houten banken.
De formele taal.
De manier waarop advocaten vragen stelden waarop ze het antwoord al kenden.
Ik kende het verschil tussen een bewering en bewijs.
Tussen een verhaal en een reconstructie.
Ik was alleen vergeten hoe het voelde om aan de kant te staan van degene die onderzocht werd.
Sophie keek naar me.
‘Dr. De Vries, wilt u uw colbert openen?’
Daans advocaat stond opnieuw op.
‘Edelachtbare—’
Ik draaide mijn hoofd naar hem.
‘Bezwaar?’
Toen keek ik naar de rechter.
‘Laat mij dan getuigen.’
De rechter knikte.
Ik trok mijn colbert langzaam open.
Onder mijn blouse waren niet alle littekens zichtbaar.
Daarom had Sophie vooraf toestemming gevraagd om medische foto’s als bewijs in te dienen.
Maar er waren genoeg sporen te zien.
Een dun, bleek litteken onder mijn sleutelbeen.
Een onregelmatige lijn langs mijn ribben.
Een oudere verkleuring bij mijn linkerschouder.
De glimlach verdween van Daans gezicht.
Zijn moeder keek weg.
Dat zag ik.
Margriet, die tien minuten eerder nog onder ede had verklaard dat ik mezelf verwondde, kon plotseling niet meer naar me kijken.
Sophie pakte de eerste foto.
‘Kunt u deze verwonding beschrijven?’
Ik keek ernaar.
Ik kende hem uit mijn hoofd.
‘Letsel aan de rechterzijde van de borstkas. Twee ribfracturen, gecombineerd met uitgebreide weke-delenkneuzing.’
‘Kan dit door zelfverwonding zijn ontstaan?’
‘Theoretisch kan bijna ieder letsel meerdere oorzaken hebben. Maar niet iedere verklaring past bij het letselpatroon.’
Daans advocaat fronste.
Ik vervolgde:
‘De richting van de kracht liep van rechtsvoor naar linksachter. De verdeling van de kneuzingen en de positie van de ribfracturen passen bij een krachtige impact van buitenaf.’
‘Zoals?’
Ik keek naar Daan.
‘Hard tegen de hoek van een keukenblad worden geduwd.’
Er ging een zacht geluid door de zaal.
De rechter keek onmiddellijk op.
‘Rust alstublieft.’
Daan fluisterde iets tegen zijn advocaat.
Sophie pakte de volgende foto.
‘En deze?’
‘Een genezen snijwond aan de linkeronderarm.’
‘Mevrouw Margriet de Vries verklaarde dat u zichzelf daarmee verwondde.’
‘Dat klopt.’
Margriet keek nu naar mij.
‘Is dat mogelijk?’
‘Niet op de manier waarop zij het heeft beschreven.’
‘Waarom niet?’
Ik wees naar de foto.
‘Omdat de wond aan de buitenzijde van mijn onderarm loopt en de oorspronkelijke snijrichting schuin van achter naar voren was. Daarbij waren er meerdere kleine glassplinters in de wond aanwezig.’
Sophie liet een document zien.
‘Is dit het verslag van de huisartsenpost?’
‘Ja.’
‘Wat staat daarin?’
‘Dat ik verklaarde dat ik een glas had laten vallen.’
‘Was dat waar?’
Ik keek naar de rechter.
‘Nee.’
De stilte werd zwaarder.
‘Wat gebeurde er werkelijk?’
Ik voelde mijn handen koud worden.
Niet trillen.
Dat weigerde ik.
‘Daan gooide een wijnglas tegen de muur naast mij. Ik hief mijn arm op om mijn gezicht te beschermen.’
Daans stoel schoof.
‘Dat is gelogen.’
Zijn advocaat greep zijn arm.
Te laat.