“Nu.”
Ik bleef zitten.
Hij liep naar de gang. Daar belde hij Ria. Ik hoorde maar één kant van het gesprek.
“Ze weet te veel,” zei hij.
Mijn hand gleed langzaam naar mijn telefoon.
Ik maakte geen foto. Ik filmde niet. Ik wist dat hij het scherm zou zien.
Ik opende alleen de geluidsrecorder en legde het toestel onder het tafelkleed.
Een uur later bracht hij de kinderen niet naar school.
Hij stuurde een bericht naar hun leerkrachten: buikgriep.
Daarna kwam hij naar mij toe.
“Ga mee naar de schuur.”
“Ik ga nergens heen.”
Hij pakte mijn arm.
Ik schreeuwde niet. Eva stond boven aan de trap.
“Mama?” vroeg ze.
Maarten keek naar haar.
“Ga naar je kamer.”
Eva bewoog niet.
“Nu.”
Ik keek haar aan en schudde heel klein mijn hoofd.
Niet komen.
Niet helpen.
Ze bleef staan tot Maarten mij door de achterdeur naar buiten trok.
In de schuur hing een dikke balk boven de werkbank. Ik had die balk al vaak gezien. Maarten had er ooit fietsen aan opgehangen. Die ochtend had hij een touw klaargelegd.
“Wat ga je doen?”
“Zorgen dat je eindelijk luistert.”
Ria stond achter hem in de deuropening. Ze droeg haar beige regenjas en hield een paraplu vast. Op de achtergrond zag ik de deurbelcamera van het huis rood knipperen.
“Ria,” zei ik. “Bel de politie.”
Ze trok één wenkbrauw op.
“Je bent altijd zo dramatisch geweest.”
Maarten bond mijn handen vast. Het touw sneed in mijn polsen. Toen hij mijn enkels omwikkelde, begon mijn buik hevig te trekken.
“Maarten, ik heb pijn.”
“Dat is de bedoeling.”
Hij trok aan het touw totdat mijn voeten omhoogkwamen. Mijn hoofd raakte bijna de vloer. Het bloed stroomde naar mijn gezicht en mijn oren begonnen te suizen.
“Een jongen komt niet vanzelf,” zei hij. “Dat heeft mijn moeder altijd gezegd.”
“Dat is waanzin.”
“Jij hebt twee keer gefaald.”
Ria zuchtte.
“Niet zo hard praten. De buren hoeven dit niet te horen.”
Daarna sloeg hij mij.
Eerst op mijn benen. Toen hoger. Ik probeerde mijn lichaam te draaien, maar mijn rug kon nergens heen. Iedere klap joeg een witte flits door mijn hoofd.
Ik dacht aan Eva en Mila. Aan hun natte jassen op de kapstok. Aan Mila’s gewoonte om de korstjes van haar boterham af te halen. Aan Eva, die altijd vroeg of ze het raam mocht openzetten omdat ze niet tegen de geur van Maartens aftershave kon.
“Stop,” zei ik.
Maarten lachte.
“Je hebt altijd al een sterke mond gehad.”
De pijn werd dof. Mijn vingers werden koud. Ik hoorde Ria buiten telefoneren.
“Ja, hij is zover,” zei ze. “Nee, ze kan niet meer bij de rekening. Dat regelen we zodra de arts haar heeft opgenomen.”
De arts.
Niet een arts. Dén arts.
Ik probeerde mijn ogen open te houden, maar de schuur veranderde in vlekken. Maarten zei iets over een zoon. Ria zei dat ik moest ophouden met acteren.
Toen voelde ik niets meer.
Ik werd wakker onder fel ziekenhuislicht.
Een verpleegkundige zat naast mijn bed. Ze had kort donker haar en een notitieblok op haar schoot.
“Ik ben Elise Vermeer,” zei ze. “Ik werk op de afdeling verloskunde.”
Ik keek naar mijn buik. Die was plat onder het laken.
Elise hoefde niets te zeggen.
“Ik wil niet dat hij binnenkomt.”
“Dat komt hij niet.”
“Mijn dochters?”
“Bij uw zus. Zij is onderweg.”
Ik draaide mijn hoofd naar het raam. Buiten reed een fietser door de regen. Zijn jas glom onder het straatlicht.
“De baby…”
Elise legde haar hand niet op de mijne. Ze bleef op een respectvolle afstand.
“Het was een meisje.”
Ik sloot mijn ogen.
Maarten had dus gelijk gehad. Niet omdat hij iets vermoedde, maar omdat iemand het hem had verteld.
“Wie wist het?”
“Alleen u, uw man en de verloskundige.”
Elise keek naar haar notitieblok.
“En uw schoonmoeder. Zij heeft gisteren naar de praktijk gebeld.”
Mijn ogen gingen open.
“Waarom?”
“Ze zei dat u verward was en dat zij namens u medische informatie mocht ontvangen.”
Ik voelde iets kouds langs mijn nek lopen.
“Had ze een volmacht?”
“Nee.”
Op dat moment ging de deur open. Een politieagent en een vrouw in een donkerblauwe jas kwamen binnen. De agent stelde zich voor als inspecteur Van der Linden. De vrouw was van Veilig Thuis.
“Uw man beweert dat u van een ladder bent gevallen,” zei Van der Linden.
Ik keek naar mijn handen. De huid rond mijn polsen was rood en open.
“Er stond geen ladder in de schuur.”
“Hij zegt dat u die zelf heeft verplaatst.”
Ik lachte één keer. Het geluid klonk vreemd in de kamer.
“Dan heeft hij ook mijn voeten vastgebonden.”
Van der Linden keek naar de verpleegkundige.
“Wij hebben de schuur afgesloten. De forensische recherche is onderweg.”
Ik vertelde alles. Niet in één keer. Soms moest ik stoppen omdat mijn rug begon te verkrampen. Elise noteerde de tijdstippen van de pijnmedicatie, terwijl Van der Linden vroeg naar eerdere mishandelingen.
Toen ik over de geluidsopname vertelde, keek hij op.
“Waar is die?”