Na achttien jaar schoonmaken in dezelfde villa ontsloeg de nieuwe erfgenaam mij met één week loon en zei hij dat ik “geen deel van het verleden” was. Drie dagen later belde de notaris: “Mevrouw De Vries, gaat u alstublieft zitten voordat ik dit vertel.” Wat hij daarna voor me neerlegde, maakte duidelijk dat Daan al maanden had gelogen.

‘Dit is je laatste loon, Marieke.’

Daan van Aken schoof een witte envelop over het marmeren keukeneiland. Hij deed dat met twee vingers, alsof er iets vies aan zat.

Ik keek naar het bedrag dat met blauwe pen op de voorkant stond: €186,40.

‘Dat is een weekloon,’ zei ik.

‘Precies.’

Achter hem stond de vaatwasser te brommen. Op het aanrecht lag nog de halflege koffiekop van zijn vader, met een bruine kring eronder. Ik had die kop achttien jaar lang elke ochtend op dezelfde plek gezet.

‘Ik heb hier achttien jaar gewerkt,’ zei ik.

Daan trok zijn jas dicht. ‘Mijn vader betaalde je om schoon te maken. Niet om familie te spelen.’

Dat was de eerste keer dat hij mij rechtstreeks aankeek sinds de begrafenis.

Ik liet mijn hand op het aanrecht rusten. Niet omdat ik steun nodig had, maar omdat mijn vingers plotseling trilden.

‘Je vader vroeg me om bij hem te blijven toen je moeder in het ziekenhuis lag,’ zei ik. ‘Hij vroeg me om zijn medicijnen klaar te zetten toen hij na zijn beroerte niet meer goed kon lopen.’

‘Je krijgt waar je recht op hebt.’

‘Een week?’

‘Je hebt geen contract meer.’

Hij pakte de sleutelbos van de haak naast de bijkeuken. Mijn sleutel zat ertussen. De kleine zilveren sleutel van de achterdeur, de schuur en de voorraadkamer. Willem had hem mij gegeven op mijn eerste werkdag, achttien jaar eerder.

Daan haalde hem eruit en stopte hem in zijn zak.

‘Vanaf vandaag kom je hier niet meer.’

Ik keek naar de sleutel in zijn hand voordat hij hem wegstopte.

‘Je vader zou dit niet goedvinden.’

Zijn mond vertrok nauwelijks.

‘Mijn vader is dood, Marieke. Ik ben de eigenaar.’

Dat zei hij zo rustig dat het erger klonk dan wanneer hij had geschreeuwd.

Ik nam de envelop aan. Buiten sloeg de regen tegen de hoge ramen van de villa. De tuin lag er zwart en glimmend bij. Zelfs de buxushagen zagen eruit alsof ze zich ergens voor schaamden.

Bij de voordeur draaide ik me nog één keer om.

Daan stond precies op de plek waar Willem jarenlang zijn krant had gelezen. Op de tafel lag een rood leren mapje dat ik daar nog nooit had gezien.

Daan volgde mijn blik.

‘Daar hoef jij je niet mee te bemoeien.’

Ik zei niets. Ik trok mijn jas aan en liep naar buiten.

Pas thuis in Maarssen maakte ik de envelop open. Het geld viel op tafel naast mijn boodschappenlijstje, mijn huissleutels en een ongeopende brief van de gemeente.

Ik liet het daar liggen.

Drie dagen later belde de notaris.

‘Spreek ik met mevrouw Marieke de Vries?’

‘Ja.’

‘Mijn naam is Sander Koster. Ik behartig de nalatenschap van de heer Willem van Aken. Ik wil u vragen vandaag nog naar mijn kantoor in Utrecht te komen.’

Ik keek naar de envelop met het weekloon. Die lag nog altijd op tafel.

‘Waarom?’

Aan de andere kant bleef het even stil.

‘Dat kan ik telefonisch niet uitleggen.’

‘Gaat het over mijn ontslag?’

‘Niet precies.’

‘Heeft Daan een klacht tegen mij ingediend?’

‘Mevrouw De Vries, gaat u alstublieft zitten voordat ik verderga.’

Ik keek naar mijn keukenstoel.

‘Ik zit.’

‘Echt?’

‘Ja.’

‘Goed. Dan moet ik u vertellen dat u volgens het testament van Willem van Aken een aanzienlijk legaat ontvangt.’

Ik zei niets.

‘Hoe aanzienlijk?’

‘Tweehonderdduizend euro,’ zei hij. ‘En het recht van gebruik en bewoning van het koetshuis op het terrein van Villa Veldzicht.’

Mijn hand gleed van de tafel.

‘Dat klopt niet.’

‘Dat staat wel degelijk in het testament.’

‘Daan zei dat ik nergens recht op had.’

‘Daan is niet de executeur.’

‘Hij zei dat hij de eigenaar was.’

‘Dat is hij niet.’

Ik keek naar de envelop met de €186,40. Opeens leek het bedrag bijna beledigend klein.

‘Waarom belt u mij pas nu?’

‘Omdat de heer Van Aken mij daar uitdrukkelijk opdracht toe heeft gegeven.’

‘Wanneer?’

‘Drie dagen nadat uw dienstverband zou zijn beëindigd.’

Ik voelde een koude plek onder mijn borstbeen ontstaan.

‘Hij wist dat Daan mij zou ontslaan?’