‘Hij hield daar rekening mee.’
Een uur later zat ik in het kantoor van Sander Koster aan de Oudegracht. Het regende nog steeds. Mensen fietsten langs de ramen met gebogen hoofden en natte jassen.
Sander was een man van eind vijftig met grijs haar en een bril die hij steeds opnieuw rechtzette. Hij zette een map voor me neer, maar opende hem niet meteen.
‘U werkte vier ochtenden per week bij de familie Van Aken?’
‘Ja.’
‘Officieel sinds 2008?’
‘Sinds september 2008.’
‘En daarvoor hielp u mevrouw Van Aken af en toe?’
‘Ik kwam twee keer per week. Later werd het meer.’
Hij knikte alsof hij het antwoord al kende.
‘Willem heeft u nooit als gewone schoonmaakster gezien.’
Ik lachte kort. Het kwam er schor uit.
‘Dat had hij dan beter tegen zijn zoon kunnen zeggen.’
Sander opende de map.
Bovenop lag een kopie van een testament, opgesteld bij een notaris in Hilversum, zes maanden eerder. Ik herkende Willems handtekening onderaan. Hij had altijd een kleine, hoekige handtekening gehad die op een hekwerk leek.
Sander wees naar een alinea.
‘Het koetshuis is aan u gelegateerd. U mag er wonen zolang u leeft. Daarnaast ontvangt u tweehonderdduizend euro uit de nalatenschap.’
‘Waarom?’
‘Dat staat in een aparte verklaring.’
Hij schoof een tweede vel papier naar me toe.
‘Willem schrijft dat u gedurende achttien jaar structureel onderbetaald bent voor taken die verder gingen dan huishoudelijk werk. U beheerde zijn medicijnen, hield contact met de huisarts, betaalde rekeningen, ontving leveranciers en bleef beschikbaar buiten uw normale uren.’
Ik las de woorden twee keer.
‘Hij heeft dat nooit gezegd.’
‘Hij heeft het wel opgeschreven.’
‘En de villa?’
Sander legde een andere pagina boven op de eerste.
‘Die gaat niet naar Daan.’
Ik keek hem aan.
‘Maar hij zei dat hij de eigenaar was.’
‘Daan dacht dat hij de eigenaar zou worden.’
‘Dat is iets anders.’
‘Dat is een belangrijk verschil.’
De villa was nagelaten aan een stichting die Willem samen met zijn vrouw Anna had opgericht. De stichting zou het huis na een verbouwing beschikbaar stellen aan oudere vrouwen die tijdelijk geen veilige woonplek hadden. Geen groot opvangcentrum, geen bord aan de gevel. Twee zelfstandige appartementen en een kleine kantoorruimte, beheerd door een regionale hulporganisatie.
Het klonk bijna te netjes om waar te zijn.
‘Wanneer heeft hij dit geregeld?’
‘De stichting bestaat al twee jaar. De notariële stukken zijn geregistreerd. Daan wist ervan.’
‘Waarom deed hij dan alsof alles van hem was?’
Sander keek naar zijn handen.
‘Omdat hij ervan uitging dat niemand de volledige akte zou lezen voordat hij de woning verkocht.’
Ik dacht aan het rode mapje op de keukentafel.
‘Hij was al bezig met verkopen?’
‘Er ligt een voorlopig koopcontract bij een projectontwikkelaar uit Amsterdam. De overdracht zou over drie weken plaatsvinden.’
‘Zonder toestemming van de stichting?’
‘Zonder geldige bevoegdheid.’
Ik voelde geen opluchting. Alleen een misselijke spanning in mijn maag.
‘Wat krijgt Daan dan?’
‘Zijn legitieme portie. Een geldvordering. Geen zeggenschap over de villa.’
‘Hij zal zeggen dat u hem tegenwerkt.’
‘Dat zal hij waarschijnlijk doen.’
Sander haalde een envelop uit een lade. Op de voorkant stond mijn naam in Willems handschrift.
Ik herkende de letters onmiddellijk.
‘Deze brief mocht ik pas aan u geven nadat u door Daan was ontslagen,’ zei hij.
‘Waarom?’
‘Dat weet ik niet volledig. Ik heb alleen de instructie gekregen.’
Ik maakte de envelop open.
Marieke,
Als je dit leest, heeft Daan waarschijnlijk gedaan wat hij al maanden van plan is. Hij zal zeggen dat ik niet meer wist wat ik deed. Hij zal zeggen dat jij mij hebt beïnvloed. Misschien beweert hij dat je geld of spullen hebt meegenomen.
Laat hem praten.
Vraag hem alleen waar de rode map is.
Ik begreep eerst niet waarom mijn handen begonnen te trillen. Toen dacht ik aan de keukentafel. Aan Daan die zei dat ik mij er niet mee moest bemoeien.
Onder aan de brief stond:
De waarheid staat niet in mijn testament. De waarheid staat in wat hij ermee heeft gedaan.
Ik keek naar Sander.
‘Wat zit er in die map?’
‘Dat hopen we samen vast te stellen.’
De volgende ochtend stond Daan voor mijn deur.
Ik zag hem op de camera van mijn deurbel. Hij droeg dezelfde donkere jas als drie dagen eerder en hield geen paraplu vast. Zijn haar was nat. Hij drukte niet op de bel, maar klopte met zijn knokkels tegen het glas.
Ik liet hem een minuut wachten.
Toen opende ik de deur op een kier.
‘Wat wil je?’
‘Praten.’
‘Dat hebben we vrijdag gedaan.’
‘Vrijdag was geen gesprek.’
‘Nee. Toen ontsloeg je me.’
Zijn blik gleed over mijn schouder naar de hal.
‘Mag ik binnenkomen?’