“Leg dat terug.”
Maarten zei het zo kalm dat de kassière eerst dacht dat hij tegen haar sprak. Zijn hand lag nog op mijn onderrug, precies waar hij de afgelopen maanden altijd beweerde voorzichtig te zijn.
Ik hield het dekentje tegen mijn buik gedrukt. Het was zachtgrijs, met kleine witte wolkjes erop. €13,99. Ik had het uit de mand bij de ingang gehaald omdat onze babykamer in Utrecht nog steeds meer op een opslagruimte leek dan op een plek voor een kind.
“Het is dertien euro negenennegentig,” zei ik. “Niet honderdvijftig.”
Zijn ogen gingen naar het prijskaartje en daarna naar mijn gezicht.
“Het gaat niet om dat bedrag.”
Dat was de eerste zin die me bang maakte. De tweede kwam een paar seconden later, toen hij me met beide handen naar voren duwde.
Mijn buik knalde tegen de hoek van de kassa. Een droge, doffe klap. Daarna zakten mijn knieën weg en kwam ik op de tegelvloer terecht, met één hand om mijn buik en de andere nog steeds om het dekentje.
“Jij hebzuchtige trut,” siste Maarten. “We gaan mijn geld niet verspillen aan nutteloze babyrommel.”
De winkel werd stil.
Niet helemaal. Er piepte ergens een scanner. Een kind begon achter me zacht te huilen. De kassière hield haar handen boven het toetsenbord, alsof ze vergeten was hoe ze moest bewegen.
Maarten bukte zich naar me toe.
“Sta op. Doe normaal.”
Toen stapte de filiaalmanager tussen ons in.
Hij was een brede man van rond de vijftig met een donkerblauwe trui en een naamplaatje waarop Henk stond. Hij pakte Maartens pols vast voordat mijn man mij opnieuw kon aanraken.
“Handen thuis,” zei hij.
“Bemoei je er niet mee.”
“Dat doe ik vanaf nu wel.”
Maarten trok zijn arm los, maar Henk hield hem stevig vast. Niet wild. Niet boos. Gewoon vast, zoals iemand een deur dichtdoet die niet meer open mag.
Ik hoorde mezelf zeggen dat ik niet goed kon ademen. Daarna kwam er iemand met een stoel, iemand anders belde 112 en de kassière legde het dekentje naast mijn hoofd.
Mijn kind bewoog nog.
Dat was het enige waar ik aan kon denken.
Mijn naam is Eline van Dijk. Ik was zesendertig weken zwanger en negenendertig jaar oud. Maarten was mijn man. We waren acht jaar samen en zes jaar getrouwd.
En tot die middag had ik nog steeds aan iedereen verteld dat hij “onder druk” stond.
In het ziekenhuis controleerden ze eerst de hartslag van de baby. De verloskundige, Sophie Meijer, schoof het apparaat over mijn buik en keek naar het scherm. Het ritme bleef regelmatig, maar mijn baarmoeder reageerde op de klap met harde samentrekkingen.
“U blijft hier vannacht,” zei ze. “We willen u en de baby observeren.”
Maarten stond aan het voeteneinde van het bed met een snee in zijn kin. Die had hij opgelopen toen Henk hem tegen de toonbank had geduwd nadat hij opnieuw naar mij was uitgevallen.
“Het was een ongeluk,” zei Maarten.
Sophie keek niet naar hem.
“Dat vertelt u straks aan de politie.”
“Ze viel zelf.”
Ik draaide mijn hoofd naar hem toe. Mijn lip trilde, maar ik zei niets.
Dat was wat ik de afgelopen twee jaar steeds vaker deed: niets zeggen terwijl hij voor anderen een andere versie van de werkelijkheid neerzette.
Maarten had altijd een reden. Hij was moe. Hij had te veel zorgen. Ik was gevoelig door de zwangerschap. Ik hoorde dingen verkeerd. Ik maakte van ieder gesprek een probleem.
Zijn moeder, Ria Smit, maakte het af met een zachte glimlach.
“Maarten bedoelt het niet zo,” zei ze vaak. “Je weet hoe hij is als hij bang is.”
Bang waarvoor, had ik me soms afgevraagd.
Niet voor mij. Dat begreep ik nu.
De politie kwam een verklaring opnemen. Agent Van der Meer vroeg of Maarten me vaker had geduwd, vastgepakt of pijn gedaan.
Ik keek naar mijn handen. Onder mijn trouwring zat een smalle rode rand van gezwollen huid.
“Niet echt,” zei ik.
“Wat betekent niet echt?”
Ik dacht aan de blauwe plek op mijn bovenarm die hij een week eerder had weggewimpeld als een stoot tegen de keukenkast. Aan de keer dat hij mijn telefoon uit mijn hand had geslagen omdat ik mijn zus belde tijdens een ruzie. Aan zijn vingers rond mijn pols toen ik had gezegd dat ik niet wilde dat Ria de babykamer opnieuw schilderde.
“Hij heeft me nooit geslagen,” zei ik.
Agent Van der Meer schreef iets op.
“Maar hij heeft u wel fysiek tegen de kassa geduwd?”
Ik knikte.
“Er zijn camerabeelden,” zei Henk, die bij de deur stond. “En geluid. Onze camera’s nemen bij de kassa ook audio op.”
Maarten keek hem strak aan.
“U hebt geen idee wat er thuis speelt.”
Henk keek naar mijn buik.
“Dat klopt. Maar ik weet wat ik hier heb gezien.”
Later die avond kwam Maarten terug met een bos goedkope tulpen. De helft van de stelen was geknakt omdat hij ze kennelijk in de auto onder een tas had gelegd.
“Je moet gewoon zeggen dat het een misverstand was,” zei hij.
Ik lag half rechtop met een infuus in mijn hand.
“Een misverstand?”