‘Pak je koffer, Marieke,’ zei Eva terwijl ze haar koffiekopje op tafel zette. ‘Dit huis is van mij. Jij hebt hier niets meer te zoeken.’
Ik keek naar de sleutelbos in mijn hand. De koperen huissleutel die ik zesentwintig jaar eerder aan mijn zoon Daan had gegeven, lag boven op de andere sleutels. Eva keek ernaar alsof het een stuk afval was.
‘Daan is nog geen drie weken dood,’ zei ik.
‘Precies. En daarom moet je ophouden met doen alsof jij hier de baas bent.’
De villa aan de Amstel was bijna vier miljoen euro waard. Mijn zoon had er met Eva gewoond, samen met hun twaalfjarige dochter Lotte. Na zijn dood was ik erheen gegaan omdat Eva me had gebeld en had gezegd dat ze niet alleen kon zijn. Ik had mijn eigen appartement in Haarlem tijdelijk verhuurd en was met twee koffers naar Amsterdam gekomen.
Ik had boodschappen gedaan, Lotte naar school gebracht en de was gevouwen. Eva had ondertussen de notaris bezocht, de bank gebeld en de sloten laten vervangen.
Op de ochtend dat ze me eruit zette, regende het zo hard dat de ramen van de woonkamer beslagen waren. Eva droeg een crèmekleurige broek en een wollen trui. Ze zag eruit alsof ze naar een zakelijke afspraak moest, niet alsof ze zojuist de moeder van haar overleden man op straat zette.
‘Je kunt naar dat chalet in Oostenrijk,’ zei ze. ‘Daan praatte altijd over die bergen. Daar wilde je toch zo graag naartoe?’
‘Dat chalet staat al jaren leeg.’
‘Dan heb je in ieder geval een dak boven je hoofd.’
Ik keek naar de stoel waar Daan vroeger zijn jas overheen gooide. De jas hing er niet meer. Eva had zelfs zijn kapstok leeggehaald.
‘Waar is zijn trouwring?’ vroeg ik.
Ze keek kort op. ‘Wat heeft dat hiermee te maken?’
‘Hij droeg die altijd.’
‘De uitvaartondernemer heeft hem verwijderd.’
Dat was de eerste keer dat ik dacht dat Eva loog. Niet omdat ze nerveus was. Juist omdat ze zo rustig bleef.
Ik pakte mijn koffer.
‘Ga je nu huilen?’ vroeg ze.
‘Nee.’
‘Mooi. Ik heb geen zin in scènes.’
Ik trok mijn jas aan. Mijn vingers trilden toen ik de rits dichtdeed, maar ik liet haar niet zien waarom. Niet vanwege het huis. Niet alleen vanwege het geld. Ik had een kind begraven en mijn schoondochter sprak tegen mij alsof ik een oude kast was die in de weg stond.
Bij de voordeur hield Eva me tegen.
‘Laat die sleutel liggen.’
Ik keek naar de sleutelbos.
‘Die heeft Daan mij gegeven.’
‘Daan is dood.’
De zin bleef tussen ons hangen. Zelfs de vaatwasser maakte op dat moment geen geluid meer.
Ik legde de sleutel op het marmeren kastje en stapte naar buiten.
Een uur later zat ik in de trein naar Innsbruck met één koffer, een plastic tas met medicijnen en de oude leren map waarin ik mijn paspoort bewaarde. Eva had niet gevraagd waar ik heen ging. Ze had alleen gezegd dat ik haar niet meer onverwacht mocht bellen.
Mijn naam is Marieke Smit. Ik was achtenzestig en had tweeënveertig jaar gewerkt als financieel administratief medewerker bij een notariskantoor in Haarlem. Ik wist hoe nalatenschappen werkten. Ik wist ook dat een weduwe niet automatisch eigenaar werd van ieder bezit als er schulden, ondernemingen of eerdere overeenkomsten in het spel waren.
Maar rouw maakt een mens traag. Je weet wat je moet doen en toch blijf je zitten.
Daan was vierenveertig geworden. Hij had een bouwkundig adviesbureau in Amsterdam en bezat samen met Eva de villa aan de rivier. Tenminste, dat dacht ik.
Zijn dood was officieel een verkeersongeval. Hij was op een woensdagavond met zijn zwarte Volvo van Utrecht naar Amsterdam gereden toen hij op de A2 van de weg raakte. De weg was nat. Hij had geen alcohol gedronken. Zijn auto was tegen een betonnen afscheiding gebotst.
De politie had gezegd dat er geen aanwijzingen waren voor een misdrijf.
Toch bleef er één detail in mijn hoofd hangen. De avond voor zijn dood had Daan mij gebeld. Het gesprek had slechts twee minuten geduurd.
‘Mam, heb jij die oude sleutel van het chalet nog?’
‘Welke?’
‘Die met het rode touwtje.’
‘Volgens mij ligt die in jouw oude kamer.’
Hij had gezwegen.
‘Waarom vraag je dat?’
‘Omdat ik misschien iets moet ophalen.’
‘Kom dan morgen langs.’
‘Dat kan niet.’
‘Daan?’
‘Mam, als Eva vraagt waar ik ben geweest, zeg dan niets.’
Daarna had hij opgehangen.
Ik had de sleutel de volgende ochtend in mijn keukenlade gevonden. Ik wilde hem naar hem toe brengen, maar om kwart over zeven belde de politie aan.
Innsbruck lag onder een grijze lucht toen ik aankwam. Het chalet stond in een klein dorp boven Schwaz, op een helling waar de weg in de winter vaak werd afgesloten. Daan en ik hadden het huis gekocht toen hij negentien was. Mijn man was toen al overleden. We hadden er drie zomers doorgebracht en daarna was Daan naar Amsterdam verhuisd.
Het chalet was eenvoudig. Een houten huis met een lage woonkamer, twee slaapkamers en een keuken waarin de kastdeuren scheef hingen. De makelaar had ons destijds gezegd dat het pand vooral waarde had vanwege de grond. Voor Daan was het geen investering geweest. Het was de enige plek waar hij niet hoefde te doen alsof alles goed ging.
Ik kreeg de deur pas na drie pogingen open. Binnen rook het naar oud hout, stof en koude as. Ik zette mijn koffer neer en zag op de vensterbank een laagje sneeuw dat door een kier naar binnen was gewaaid.
Op tafel lag een envelop.
Mijn naam stond erop.
Niet met Daanse haastige handschrift, maar wel met zijn zwarte vulpen.
Ik maakte de envelop niet meteen open. Ik liep eerst door het huis. In de slaapkamer lag een wollen deken over het bed. In de badkamer stond een ongeopende tube tandpasta. Op de zolder vond ik een doos met kerstversiering en een foto van Daan als jongen, met een te grote skibril op zijn neus.
Pas toen ik beneden terugkwam, scheurde ik de envelop open.
Er zat één vel papier in.
Mam,
Als je dit leest, heb ik je waarschijnlijk niet meer kunnen uitleggen wat er aan de hand is. Vertrouw Eva niet met de administratie van mijn bedrijf. Bel Van Houten Notariaat in Haarlem. Vraag naar Annelies van Houten. Zeg dat het om dossier 19-447 gaat.
Ga niet naar de villa voordat zij erbij is.
Ik hou van je.
Daan
Ik las het drie keer. Bij de vierde keer zag ik de vlek op het papier. Een ronde, vaagbruine plek naast zijn naam. Koffie, dacht ik.
Mijn telefoon had nauwelijks bereik. Ik liep naar buiten, door de sneeuw, tot ik twee streepjes zag. Toen belde ik het nummer van het notariskantoor.
Een vrouw nam op.