DEEL 8 — HUWELIJKSTHERAPIE
Jeroen stelde therapie voor.
Ik zei ja.
Niet als belofte te blijven.
Als manier om helder te worden.
Onze therapeut heette Anouk van Dijk.
Begin vijftig.
Geen magische zinnen.
Geen ‘liefdestaal’-kaartjes in eerste sessie.
Ze vroeg:
‘Waarom zijn jullie hier?’
Jeroen:
‘Omdat ik mijn vrouw niet kwijt wil.’
Ik:
‘Omdat ik wil weten of ik nog zijn vrouw wil zijn.’
Dat deed pijn.
Maar was waar.
Anouk knikte.
‘Goed. Dat zijn verschillende doelen.’
De eerste sessies draaiden niet om Gerda.
Dat irriteerde mij eerst.
‘Maar zij heeft jurk kapotgeknipt.’
Anouk:
‘En wat deed Jeroen?’
‘Niets.’
‘Dus ons onderwerp zit hier.’
Juist.
Jeroen moest vertellen waarom hij lachte.
Niet:
omdat jurk onbelangrijk was.
Dieper.
‘Ik vond het ergens fijn dat iemand haar stopte.’
Ik verstijfde.
‘Mij stopte?’
Hij knikte.
‘Je stichting bleef groter worden.’
‘En?’
‘Mensen bewonderden je.’
‘En?’
‘Ik voelde me…’
Hij haatte woord.
‘Klein.’
Ik keek hem aan.
‘Dus je moeder maakte mij kleiner en dat voelde prettig.’
Hij begon te huilen.
‘Op dat moment, ja.’
Dat was misschien eerlijkste en pijnlijkste zin van ons huwelijk.
‘Waarom?’
‘Omdat ik vroeger degene was die dingen kon.’
‘Wat bedoel je?’
‘Toen we trouwden had jij baan bij gemeente. Ik verdiende meer. Ik wist van computers. Ik hielp jou met website van stichting. Jij vroeg mij advies.’
‘En later niet.’
‘Later zat jij in kranten. Gemeenten belden jou. Je zat in commissies. Fleur belde jou.’
Hij wreef ogen.
‘Ik wist niet meer waarvoor jij mij nodig had.’
‘Dus?’
‘Ik maakte jouw werk klein zodat ik mezelf niet klein hoefde te voelen.’
Stilte.
Ik dacht aan elke keer ‘projectje’.
‘Dat is afschuwelijk.’
‘Ja.’
‘En wat heb jij nodig?’
Hij keek op.
‘Niet dat jij kleiner wordt.’
‘Goed begin.’
‘Ik moet leven hebben waar ik zelf trots op ben.’
Anouk vroeg:
‘Wat zou dat betekenen?’
Jeroen wist niet.
Hij was jaren vooral consultant geweest voor geld.
Geen hobby.
Geen gemeenschap.
Geen eigen droom.
‘Ik heb me verstopt achter jouw betekenis,’ zei hij.
‘En haar tegelijk belachelijk gemaakt,’ zei Anouk.
‘Ja.’
Therapie was niet alleen zijn ontmaskering.
Ook de mijne.
Anouk vroeg:
‘Waarom zeg jij zo moeilijk nee?’
‘Dat doe ik op werk wel.’
‘Thuis?’
‘Omdat ik conflicten haat.’
Jeroen lachte ongelovig.
‘Jij?’
Ik keek boos.
Anouk glimlachte.
‘Interessant.’
Ik kon stevige gesprekken voeren met gemeenten, donoren, cliënten.
Thuis compenseerde ik.
Waarom?
Mijn moeder was overleden toen ik negentien was.
Mijn vader hertrouwde en verhuisde naar buitenland.
Ik had vroeg geleerd dat familie fragiel was.
Wanneer ik bij Jeroen en Fleur kwam, werd hun huis mijn vaste plek.
Gerda noemde me al snel:
‘De lijm.’
Ik vond dat prachtig.
Lijm.
Iemand die dingen bij elkaar hield.
Maar lijm heeft geen eigen vorm.
Hij zit tussen dingen.
Dient verbinding.
Niemand vraagt of lijm moe is.
Ik moest huilen toen ik dat zei.
Jeroen pakte mijn hand.
Ik liet hem.
Therapie gaf geen antwoord.
Wel waarheid.
Na drie maanden zei Anouk:
‘Jullie begrijpen nu redelijk goed hoe patroon ontstond.’
Jeroen vroeg:
‘Dus kunnen we het repareren?’
Anouk antwoordde:
‘Begrijpen waarom je brand hebt veroorzaakt is niet hetzelfde als huis weer bewoonbaar maken.’
Ik vond haar toen irritant.
Omdat ze gelijk had.