Brouwers gezicht veranderde.
Maar hij antwoordde niet.
Buiten zat bij de wasserij een oude vrouw die Geesje heette. Ze had vroeger voor bijna alle rijke huizen gewassen.
Ze keek naar mijn mand.
“U bent de vrouw van Elias.”
“Ja.”
“Leeft hij nog?”
Ik bleef staan.
“U kent hem?”
Ze keek links en rechts.
“Ik waste het hemd waarin ze hem na de brand binnenbrachten.”
“Welke brand?”
Geesje zweeg zo lang dat ik dacht dat ze niets meer zou zeggen.
“Hij was een jaar of tien. Zijn vader wilde het noordelijke veen niet verkopen. Brouwer wilde die grond. Daar zat goede turf en er kwam een kanaalproject langs. Toen brandde ‘s nachts de oude schuur af.”
“Wat gebeurde er?”
“Zijn vader stierf. Zijn moeder twee dagen later. Elias vonden ze beneden bij de veenrand.”
“Doof?”
Geesje keek me scherp aan.
“Dat joch schreeuwde toen ze hem brachten.”
Mijn handen werden koud.
“Hij riep zijn moeder. Zijn vader. Een doof kind roept misschien ook, maar hij reageerde op stemmen. Op de klok. Op alles.”
“En dokter Meijer?”
“Die ging met hem een kamer in. Daarna kwam hij naar buiten en zei dat de jongen al vanaf zijn geboorte doof was en dat de brand hem alleen van streek had gemaakt.”
Ze spuugde in de sneeuw.
“Een week later had Brouwer papieren op een stuk van de grond.”
“Waarom zei u niets?”
Geesje keek naar haar vingers.
“Ik had drie kinderen. Brouwer bezat het huis. Meijer bepaalde wie medicijnen kreeg. De veldwachter bepaalde wie een nacht in de cel verdween.”
Ze stond moeizaam op.
“Kom vannacht terug. Ik heb dat hemd nog.”
Toen ik thuis kwam zat Elias tuigleer te repareren.
Ik schreef:
`Herinnert u zich de brand?`
Zijn handen begonnen meteen te trillen.
`Niet,` schreef hij.
Ik bleef zitten.
`Moet.`
Na een tijd pakte hij opnieuw het potlood.
`Klok.`
`Moeder zei: rennen.`
`Vader riep: ik teken niet.`
Hij stopte.
Toen:
`Mannen.`
`Licht.`
`Pijn.`
Hij wees naar zijn oor.
`Daarna stil.`
Ik schreef:
`Geesje zegt dat u nog kon horen.`
Hij keek lang naar de woorden.
Daarna stond hij op en haalde een oude kaart van de boerderij.
Zijn vinger ging naar de noordelijke veengrond.
`Schuur.`
We gingen erheen.
Van de oude schuur waren alleen zwarte balken en stenen over. Elias liep naar een grote kei aan de rand van een oude veenput en begon eronder te graven.
In een holte lag een roestig blik.
Op het deksel stond:
`E.D.`
“Uw vader?”
Hij knikte.
Binnen lag een oud eigendomsbewijs van de familie De Vries, in vettig doek gewikkeld.
Achterop stond:
`Niet verkopen. Als mij iets gebeurt: naar dominee Groen.`
Daarnaast lag een leren riempje met een afgebroken koperen klinknagel.
B.W.
Ik legde het stukje uit Elias’ oor ernaast.
Het paste.
Die nacht gingen we naar Geesje.
Uit een kist haalde ze een kinderhemd.
Oud bloed bij de kraag.
Groene kopersporen.
Een klein scheurtje rechts bij de hals.
Elias hield het in beide handen.
Geesje keek weg.
“Het spijt me, jongen.”
Ik schreef haar woorden op.
Elias las ze.
Daarna schreef hij terug:
`U was bang.`
Geesje begon te huilen.
De volgende ochtend gingen we niet naar de veldwachter