— Ja.
Hij keek me aan alsof hij wilde vragen waarom iemand dit überhaupt in een graf had gegooid.
Hij deed het niet.
Thuis legde ik het op de keukentafel.
Het was een oud spaarbankboekje van een bank die al jaren niet meer onder die naam bestond.
Binnenin stonden handgeschreven stortingen.
Guldens.
Later euro’s.
De meeste bedragen waren klein.
Vijftig gulden.
Honderd.
Tweehonderdvijftig.
Maar ergens halverwege veranderde het patroon.
In 1999 stond er een storting van 85.000 gulden.
Daaronder, twee jaar later, nog eens 40.000.
Naast beide bedragen stond een initialenstempel.
Ik bladerde verder.
In 2004 was er een handgeschreven aantekening:
“Omgezet naar geblokkeerde vermogensrekening. Alleen opname op vertoon originele stukken.”
Meer niet.
Ik maakte foto’s.
De volgende ochtend belde ik de rechtsopvolger van de oude bank.
Na drie keer doorverbinden kreeg ik een medewerker die zei dat oude papieren spaarboekjes meestal geen actuele waarde meer hadden.
— Maar u kunt ermee langskomen — zei ze. — Dan kijken we of er nog historische gegevens zijn.
Mijn vader belde diezelfde middag.
— Heb jij iets van mam meegenomen?
Ik zat achter mijn bureau op kantoor.
— Wat bedoel je?
— Uit huis.
— Een paar foto’s.
— En?
— Een vaas.
Hij zweeg.
— Meer niet?
Ik voelde mijn hart sneller kloppen.
— Waar ben je naar op zoek?
— Nergens naar.
— Dan hoef je het toch niet te vragen?
Zijn stem werd harder.
— Lisa, als executeur moet ik weten waar de spullen uit de nalatenschap zijn.
— Een oude vaas is geen financieel risico, papa.
Weer stilte.
Toen zei hij:
— Laat het spaarboekje rusten.
Mijn hand stopte boven mijn toetsenbord.
Ik had hem niet verteld dat ik het had.
— Welk spaarboekje?
Hij antwoordde te snel.
— Dat ding dat mam altijd bewaarde.
— Dat ligt toch in haar graf?
Hij ademde hoorbaar uit.
— Precies. En daar moet het blijven.
Daarna verbrak hij de verbinding.
De volgende ochtend ging ik naar een bankfiliaal in Utrecht.
Ik had het spaarboekje in een plastic mapje gedaan.
De medewerkster achter de balie heette Marieke van Dam. Halverwege de veertig, kort donker haar, bril met dun montuur.
Ze glimlachte beleefd toen ik uitlegde waarom ik kwam.
— Dit soort boekjes zien we bijna nooit meer.
Ze trok handschoenen aan omdat er nog aarde in de rand van de kaft zat.
Ze bladerde langzaam.
Bij de eerste pagina’s gebeurde niets.
Toen kwam ze bij de notitie uit 2004.
Haar blik bleef hangen.
Ze keek opnieuw naar de voorkant.
Daarna naar de laatste bladzijde.
— Heeft u een legitimatiebewijs bij u?
— Ja.
Ik gaf het.
Ze typte iets.
Nog iets.
Haar gezicht veranderde.
Het was subtiel.
De glimlach verdween eerst.
Daarna kneep ze haar ogen samen.
Ze pakte het boekje opnieuw vast.
— Kunt u hier heel even blijven?
— Is er iets?
— Eén moment.
Ze liep naar een glazen kantoor achter de balie.
Een man in pak kwam erbij.
Ze wezen samen naar haar scherm.
Toen belde ze.
Niet naar mij.
Niet naar een intern nummer, begreep ik een minuut later.
Toen ze terugkwam, was alle kleur uit haar gezicht verdwenen.
— Mevrouw de Vries, ik moet u vragen om niet weg te gaan.
Mijn mond werd droog.
— Waarom?