Mijn vader gooide oma’s spaarboekje in haar graf en noemde het waardeloos. Ik haalde het later terug en bracht het naar de bank — zodra de medewerkster het bekeek, trok alle kleur uit haar gezicht weg en belde ze stilletjes de politie

Ze keek om zich heen voordat ze antwoordde.

— Omdat er mogelijk sprake is van identiteitsfraude en verduistering.

Ik dacht eerst dat ik haar verkeerd had verstaan.

— Door wie?

Ze schudde haar hoofd.

— Daar kan ik nu niets over zeggen.

— Het is het spaarboekje van mijn oma.

— Dat weet ik.

— Wat heeft dat met fraude te maken?

Ze ging zitten.

— De rekening waarnaar dit boekje verwijst, bestaat niet meer in deze vorm. Maar de historische koppeling bestaat wel.

— En?

Ze aarzelde.

— Er zijn mutaties geweest nadat uw grootmoeder officieel geen toegang meer zou hebben gehad.

Mijn vingers werden koud.

— Wanneer?

Marieke keek naar haar scherm.

— Meerdere jaren.

— Door wie?

Ze zei niets.

Op dat moment gingen de automatische deuren open.

Twee politieagenten kwamen binnen.

Ik voelde mijn hart in mijn keel.

Een van hen vroeg:

— Mevrouw Lisa de Vries?

Ik knikte.

— We willen graag even met u praten over het document dat u heeft meegenomen.

Mijn eerste gedachte was dat ik iets verkeerd had gedaan door het boekje uit het graf te halen.

Mijn tweede gedachte was mijn vaders stem:

Laat het spaarboekje rusten.

De agenten brachten me niet naar het bureau.

Ze gingen met mij naar een aparte spreekkamer in de bank.

Een rechercheur belde later in.

Ze vroegen waar ik het boekje vandaan had.

Wie wist dat ik het had.

Wie toegang had gehad tot oma’s financiën.

Toen ik de naam van mijn vader noemde, wisselden twee mensen een blik.

— Waarom kijkt u zo?

De rechercheur antwoordde voorzichtig:

— Uw vader is bekend in een ander onderzoek.

Het voelde alsof iemand een stoel onder me vandaan trok.

— Waarover?

— Financiële delicten.

Ik dacht aan zijn kantoor.

Zijn nette pakken.

Zijn klanten.

Zijn eindeloze opmerkingen over “verantwoord omgaan met geld”.

— Is hij verdachte?

— Daar kan ik nu niet verder op ingaan.

Ik leunde achterover.

— Dan vertel ik u wat ik wel weet.

Ik gaf ze alles.

De begrafenis.

Het spaarboekje.

Het telefoongesprek.

De opmerking van mijn tante.

De rechercheur schreef vooral toen ik vertelde dat mijn vader het boekje zelf in het graf had gegooid.

— Letterlijk?

— Ja.

— Hij wist dat het origineel was?

— Hij kende het boekje al mijn hele leven.

Later die middag mocht ik naar huis.

Het spaarboekje bleef achter als bewijsstuk.

Tante Karin kwam die avond langs.

Ik zette thee.

Ze dronk nauwelijks.

— Ze onderzoeken papa — zei ik.

Ze keek meteen naar haar handen.

Dat viel me op.

— Karin.

— Wat?

— Jij wist meer.

Ze begon te huilen.

Niet hard.

Ze staarde naar haar kopje.

— Mam vroeg mij twee jaar geleden of ik ooit papieren had ondertekend op verzoek van Peter.

— En?

— Ja.

Mijn rug werd stijf.

— Wat?