Mijn zevenjarige zoon begon ineens onder het bedje van zijn pasgeboren zusje te slapen.

‘Blijf bij uw kinderen.’

De stem van de centralist klonk rustig.

Ik probeerde hetzelfde te doen.

Dat lukte nauwelijks.

Lotte lag tegen mijn borst.

Sem zat naast me op de vloer, zijn dekentje nog om zijn schouders.

Jeroen stond in de deuropening.

Zijn gezicht was volledig veranderd.

‘De politie en ambulance zijn onderweg,’ zei ik.

Hij keek richting de logeerkamer.

‘Mijn moeder ligt daar gewoon te slapen.’

‘Jeroen.’

‘Alsof er niets is gebeurd.’

Hij zette één stap de gang in.

Ik pakte zijn arm.

‘Niet doen.’

‘Ik wil alleen met haar praten.’

‘Nee.’

‘Het is mijn moeder.’

‘En dit zijn onze kinderen.’

Die woorden stopten hem.

Hij keek naar Sem.

Onze zevenjarige zoon had zijn knieën tegen zijn borst getrokken.

Jeroen hurkte onmiddellijk.

‘Hé, jongen.’

Sem keek onzeker op.

‘Papa?’

‘Jij hebt niets verkeerd gedaan.’

‘Maar oma zei—’

‘Het kan me niet schelen wat oma zei.’

Zijn stem brak.

‘Je hebt niets verkeerd gedaan.’

Sem begon te huilen.

‘Ik wilde Lotte alleen beschermen.’

Jeroen trok hem tegen zich aan.

‘Dat weet ik.’

Toen klonk er beweging vanuit de gang.

Een deur ging open.

‘Wat is hier allemaal aan de hand?’

Anja.

Ze stond in haar ochtendjas bij de logeerkamer.

Toen ze Lotte in mijn armen zag en Sem naast Jeroen, veranderde haar gezicht.

Heel even.

Misschien maar een halve seconde.

Maar ik zag het.

Angst.

Niet verwarring.

Angst.

‘Waarom is iedereen wakker?’

Niemand antwoordde.

Toen zag ze mijn telefoon.

‘Met wie praat je?’

Ik beëindigde net het gesprek met de meldkamer.

‘De politie komt.’

Alle kleur trok uit haar gezicht.

‘De politie?’

Jeroen stond langzaam op.

‘Mam.’

‘Wat?’

‘Ga terug naar je kamer.’

‘Waarom?’

‘Ga terug.’

Ze keek naar Sem.

En precies op dat moment kroop hij achter zijn vader.

Dat ene kleine gebaar zei meer dan honderd woorden.

Anja zag het ook.

‘Heeft hij iets gezegd?’

Mijn maag draaide om.

Niet:

Is er iets gebeurd?

Niet:

Is Lotte in orde?

Haar eerste vraag was:

Heeft hij iets gezegd?

Jeroen verstijfde.

‘Wat zou hij moeten zeggen, mam?’

‘Ik bedoel alleen—’

‘Wat zou hij moeten zeggen?’

‘Hij vertelt soms rare verhalen.’

Sem greep Jeroens shirt vast.

Ik voelde woede door mijn lichaam schieten.

‘Niet tegen hem praten.’

Anja keek mij aan.

‘Sanne, dit is belachelijk.’

‘Niet. Tegen. Hem. Praten.’

Buiten verschenen blauwe lichten.

Anja keek naar het raam.

Toen opnieuw naar mij.

‘Je maakt een enorme fout.’

Ik hield Lotte steviger vast.

‘Dat zullen professionals bepalen.’


De eerste uren daarna voelden onwerkelijk.

Politie.

Ambulancepersoneel.

Vragen.

Jeroen en ik werden apart gesproken.

Sem werd niet eindeloos ondervraagd.

Dat was het eerste wat een agente ons duidelijk maakte.

‘Vraag hem niet steeds opnieuw wat er is gebeurd,’ zei ze. ‘Laat gespecialiseerde professionals dat doen. Kinderen moeten niet het gevoel krijgen dat ze het juiste antwoord moeten produceren.’

Ik voelde onmiddellijk schuld.

‘Ik heb hem vannacht gevraagd wat hij zag.’

‘Dat was logisch. Maar vanaf nu laten we het hierbij.’

Lotte werd meegenomen naar het ziekenhuis voor onderzoek.

Ik ging met haar mee.

Jeroen bleef aanvankelijk bij Sem.

Anja werd niet gearresteerd op basis van één gesprek, maar ze mocht niet met de kinderen alleen zijn en werd apart gehoord.