Toen kwam het ergste.
Saskia haalde een tweede document uit de map.
‘Daarnaast heeft mijn cliënt screenshots verstrekt van berichten waarin mevrouw Van Dijk bevestigt dat ze de kinderen zou opvangen.’
‘Laat zien.’
De agent keek naar mij.
‘Een moment.’
‘Nee. Als mijn naam erop staat, wil ik weten wat ze beweert dat ik heb geschreven.’
Hij draaide het papier iets.
Ik zag een screenshot van een WhatsAppgesprek.
Laura:
Dus jij hebt de kids die tien dagen? Echt zeker?
Daaronder stond mijn naam.
Emma:
Ja hoor. Ga lekker. Ik regel het.
Mijn mond werd droog.
Ik had dat nooit geschreven.
Nog een bericht.
Laura:
Ook ‘s nachts toch?
Emma:
Ja. Maak je geen zorgen.
Nog een.
Emma:
Breng ze maar naar het vakantiehuis. Ik ben er zaterdag.
Ik voelde iets ijskouds door mijn lichaam gaan.
‘Dit is nep.’
Saskia zei niets.
‘Die gesprekken bestaan niet op mijn telefoon.’
De agent keek op.
Dat was het eerste moment waarop ik zag dat hij niet zomaar aannam dat één van ons de waarheid sprak.
‘Heeft u uw telefoon bij u?’
‘Ja.’
‘Wilt u hem vrijwillig laten zien?’
Ik ontgrendelde hem onmiddellijk.
‘Graag.’
Saskia bewoog een fractie.
Heel klein.
Maar ik zag het.
De agent bladerde niet zomaar door mijn hele telefoon.
Hij vroeg me het gesprek met Laura te openen.
Ik deed het.
Onze berichten waren niet vriendelijk.
Ook niet vijandig.
Vooral praktisch.
Drie weken eerder:
Laura:
Heb jij die vrijdag vrij?
Ik:
Ja, ik heb een paar vakantiedagen opgenomen.
Laura:
Perfect. Dan kunnen we allemaal naar zee.
Ik:
Leuk. Stuur het adres als je geboekt hebt.
Een week later:
Laura:
Vakantiehuis is geregeld. Zaterdag vanaf 14.00 uur.
Ik:
Prima. Ik kom met de auto.
Nergens stond dat ik vijf kinderen tien dagen zou opvangen.
Nergens stond Hawaii.
Nergens stond Tenerife.
Nergens stond dat Laura en Thomas zonder hun kinderen zouden vertrekken.
De agent keek naar Saskia.
‘Heeft u de originele digitale berichten?’
‘Ik heb de screenshots die mijn cliënt heeft aangeleverd.’
‘Dus geen export van het gesprek?’
‘Niet voor zover ik weet.’
‘Metadata?’
‘Nee.’
‘Het apparaat waarop deze berichten ontvangen zouden zijn?’
‘Mijn cliënt heeft haar telefoon bij zich.’
‘In het vliegtuig?’
‘Vermoedelijk.’
De agent keek opnieuw naar het papier.
‘Dan beschouwen we dit voorlopig als een bewering, niet als vastgesteld bewijs.’
Ik zag Saskia’s kaak aanspannen.
Toen begon Madelief te huilen.
Niet zacht.
Niet zoals Eva.
Hard.
Haar hele lichaam schokte.
‘Het is mijn schuld.’
Ik draaide me onmiddellijk naar haar toe.
‘Nee. Absoluut niet.’
‘Mama zei dat ik het moest zeggen.’
De ruimte werd stil.
De agent hurkte op enige afstand van haar neer.
‘Wat moest je zeggen, Madelief?’
Ze keek naar mij.
Ik knikte.
‘Je mag de waarheid vertellen.’
Ze haalde moeilijk adem.
‘Mama zei dat als de politie kwam, ik moest zeggen dat tante Emma ons hier had gebracht.’
Mijn maag draaide om.
De agent bleef kalm.
‘Heeft tante Emma jullie hier gebracht?’
Madelief schudde haar hoofd.
‘Mama en papa.’
‘Wanneer?’
‘Vanmiddag.’
‘Wat gebeurde er daarna?’
‘Mama zei dat we moesten wachten. Ze zei dat tante Emma boos kon worden en dat we dan moesten zeggen dat zij ons gisteren al had opgehaald.’
Saskia stond op.
‘Ik denk dat het verstandig is dat verdere vragen aan de kinderen plaatsvinden in aanwezigheid van een gespecialiseerde medewerker.’
De agent keek haar aan.
‘Daar ben ik het mee eens.’
Maar de woorden waren al uitgesproken.
En ik zag aan Saskia’s gezicht dat ze ze ook had gehoord.
Noah trok aan mijn mouw.
‘Ik heb iets.’
Hij opende zijn dinosaurusruckzak.
Tussen een kleurboek en een zak crackers haalde hij een telefoon vandaan.
Een oude smartphone met een gebarsten hoek.
‘Van mama?’
vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd.
‘Mijn oude telefoon. Voor spelletjes.’
‘Heeft hij internet?’
‘Soms.’
Hij tikte op het scherm.
‘Ik heb een filmpje gemaakt.’
Mijn hart sloeg sneller.
‘Waarvan?’
‘Mama.’
De agent kwam dichterbij.
‘Noah, kun je vertellen waarom je dat filmpje hebt gemaakt?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Omdat ze raar deed.’
Dat was blijkbaar genoeg reden voor een zevenjarige.
Hij opende de galerij.
Het filmpje duurde twee minuten en elf seconden.
De camera wees voornamelijk naar een autostoel.
Maar de stemmen waren helder.
Laura.
Thomas.
En de kinderen.
Laura zei:
‘Jullie blijven gewoon bij de koffers tot tante Emma komt.’
Madeliefs stem:
‘Maar gaat tante Emma mee naar Tenerife?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’