Deel 2
De vrouw met het beige colbert liep niet naar Madelief.
Niet naar Noah.
Niet naar de tweeling.
Niet naar de driejarige Casper, die nog steeds op blote voeten op het hete asfalt stond.
Ze liep rechtstreeks naar mij.
Dat was het eerste teken.
Het tweede was dat ze mijn volledige naam kende.
‘Mevrouw Emma van Dijk?’
Ik legde onmiddellijk een hand op Madeliefs schouder.
‘Wie bent u?’
De vrouw hield haar dossiermap iets hoger.
‘Mr. Saskia Vermeer. Ik vertegenwoordig uw zus, Laura de Jong.’
De politieagent die net uit zijn auto was gestapt, keek van haar naar mij.
‘U bent de advocaat van de moeder?’
‘Dat klopt.’
‘Waar is uw cliënt?’
Saskia aarzelde nauwelijks.
‘Onderweg naar het buitenland.’
De agent keek naar de vijf kinderen.
‘Terwijl haar kinderen hier staan?’
‘De situatie ligt ingewikkelder dan dat.’
Ik moest bijna lachen.
Natuurlijk.
In onze familie lag alles altijd ‘ingewikkelder’ zodra Laura verantwoordelijk dreigde te worden gehouden voor iets wat ze zelf had gedaan.
De agent wees naar de receptie.
‘Laten we eerst zorgen dat de kinderen uit de zon komen.’
Dat was de eerste verstandige zin die iemand in bijna een uur had uitgesproken.
Binnen kregen de kinderen water.
De receptioniste vond een paar goedkope slippers voor Casper die iemand ooit bij de gevonden voorwerpen had achtergelaten.
Ze waren twee maten te groot.
Hij keek ernaar alsof ze speciaal voor hem waren gekocht.
‘Mag ik ze houden?’
vroeg hij.
Ik moest slikken.
‘Voor nu wel, lieverd.’
Madelief ging naast hem zitten.
Noah bleef dicht bij mij.
Eva en Sophie zaten op twee stoelen tegen elkaar aan gedrukt.
Een tweede agent arriveerde.
Daarna kwam een medewerker die contact zou opnemen met Veilig Thuis en de relevante jeugdhulpinstanties.
Ik voelde mijn hartslag eindelijk iets vertragen.
Tot Saskia haar map op tafel legde.
‘Voordat er conclusies worden getrokken,’ zei ze, ‘wil ik graag een aantal documenten overhandigen.’
De oudste agent keek haar aan.
‘Wat voor documenten?’
‘Een schriftelijke overeenkomst waaruit blijkt dat mevrouw Van Dijk vrijwillig had ingestemd met de zorg voor de kinderen gedurende de vakantieperiode.’
Ik voelde mijn maag samentrekken.
‘Dat heb ik nooit gedaan.’
Saskia keek me voor het eerst rechtstreeks aan.
‘Dat kunt u straks toelichten.’
Ze haalde een vel papier uit de map.
Mijn naam stond onderaan.
Daaronder stond een handtekening.
Mijn handtekening.
Of iets wat er angstaanjagend veel op leek.
‘Dat is vervalst.’
Mijn stem klonk luider dan ik wilde.
De agent keek naar me.
‘Mevrouw, rustig.’
‘Ik heb dat document nooit ondertekend.’
Saskia schoof het papier naar hem toe.
‘Mijn cliënt heeft mij vanmorgen gebeld omdat ze bang was dat haar zus op het laatste moment haar afspraken niet zou nakomen.’
Ik staarde haar aan.
‘Vanmorgen?’
‘Ja.’
‘Dus Laura wist vóórdat ze vertrok dat ik bezwaar zou maken?’
Saskia’s gezicht veranderde nauwelijks.
‘Ik kan niet ingaan op vertrouwelijke communicatie met mijn cliënt.’
‘Maar u bent hier wel precies twintig minuten nadat de politie arriveert.’
Daar antwoordde ze niet op.
De agent pakte het document op.
Ik zag de kop.
Tijdelijke zorgovereenkomst.
Daaronder stonden de namen van alle vijf kinderen.
De data.
Tien dagen.
Mijn adres.
Mijn telefoonnummer.
En een handtekening die op de mijne leek.
Laura had niet geïmproviseerd.
Ze had dit voorbereid.