Mijn stervende vrouw vroeg me als haar laatste wens om mijn eerste liefde terug te vinden

Deel 2

‘Kom binnen. Je kunt hier maar beter bij gaan zitten…’

Anna liep voor me uit naar de woonkamer.

Ik volgde haar, maar mijn benen voelden plotseling zwaar.

Het huis was klein en warm. Op de vensterbank stonden planten, op de salontafel lag een half afgemaakte kruiswoordpuzzel en aan de muur hingen tientallen familiefoto’s.

Ik probeerde er niet naar te kijken.

Toch bleef mijn blik hangen bij één foto.

Een man van ergens in de dertig stond naast een jonge vrouw en twee kinderen.

Er was iets aan zijn gezicht.

Iets aan zijn ogen.

Mijn hart sloeg één keer hard.

Anna zag waar ik naar keek.

‘Ga zitten, David.’

Ik draaide me naar haar om.

‘Wie is die man?’

Ze antwoordde niet.

‘Anna.’

‘Ga eerst zitten.’

‘Wie is hij?’

Ze sloot haar ogen.

Toen wees ze naar de bank.

‘Alsjeblieft.’

Ik ging zitten.

Niet omdat ik kalm was.

Omdat ik voelde dat mijn benen me inderdaad niet veel langer zouden dragen.

Anna nam plaats in de stoel tegenover me.

Tussen ons in lag bijna veertig jaar stilte.

‘Vertel me wat Caroline heeft gedaan.’

Anna keek naar haar handen.

‘Voordat ik dat doe, moet je begrijpen dat ik niet weet wat ze jou verteld heeft.’

‘Niets.’

Anna keek op.

‘Helemaal niets?’

‘Ze vroeg me alleen jou te zoeken. Ze zei dat ik alles zou begrijpen zodra ik je gevonden had. En dat ik haar bij voorbaat moest vergeven.’

Anna ademde langzaam uit.

‘Dan heeft ze het dus tot het einde niet kunnen zeggen.’

Mijn maag trok samen.

‘Wat?’

Ze keek opnieuw naar de foto aan de muur.

‘Dat jij een zoon hebt.’

Mijn wereld stopte.

Niet vertraagde.

Niet wankelde.

Stopte.

‘Wat zei je?’

Anna’s ogen vulden zich met tranen.

‘Je hebt een zoon, David.’

Ik stond zo abrupt op dat mijn knie tegen de salontafel stootte.

‘Nee.’

‘Ik weet dat—’

‘Nee.’

Ik wees naar haar.

‘Dat kan niet.’

‘Het spijt me.’

‘We waren twintig.’

‘Eenentwintig.’

‘Je hebt nooit gezegd dat je zwanger was.’

‘Ik heb het geprobeerd.’

Ik voelde mijn hart bonzen.

‘Wanneer?’

‘Nadat jij vertrok.’

Ik staarde haar aan.

Toen keek ik naar de foto.

De man.

De ogen.

Mijn ogen.

‘Is dat hem?’

Anna knikte.

Mijn knieën begaven het bijna.

Ik zakte terug op de bank.

‘Hoe heet hij?’

‘Thomas.’

‘Hoe oud?’

‘Achtendertig.’

Achtendertig.

Ik had een zoon van achtendertig.

Een volwassen man.

Een heel leven.

Verjaardagen.

Schooldagen.

Een eerste fiets.

Een diploma.

Een eerste baan.

Misschien een huwelijk.

Kinderen.

Ik keek opnieuw naar de foto.

‘Die kinderen?’

Anna knikte.

‘Je kleinkinderen.’

Ik boog voorover en bedekte mijn gezicht met mijn handen.

Ik had kleinkinderen.

Ik wist niet eens dat ik vader was.


Het duurde een paar minuten voordat ik weer kon praten.

‘Vertel me alles.’

Anna knikte.

‘Toen jij vertrok voor je nieuwe baan wist ik nog niet dat ik zwanger was.’

Ik herinnerde me die tijd alsof iemand een oude film begon af te spelen.

Ik was jong.

Ambitieus.

Bang.

Ik had een baan aangeboden gekregen aan de andere kant van het land.

Ik wilde dat Anna meeging.

Zij zei dat ze niet kon.

Ik dacht dat ze bedoelde dat ze niet genoeg van me hield.

We kregen ruzie.

Niet één grote dramatische ruzie.

Een reeks kleine gesprekken die steeds harder werden.

Uiteindelijk zei ik:

‘Als je niet met me mee wilt, weet ik niet wat we nog aan het doen zijn.’

Ze huilde.

Ik ook.

Twee weken later vertrok ik.

‘Wanneer ontdekte je het?’

vroeg ik.

‘Ongeveer zes weken later.’

‘Waarom belde je niet?’

‘Dat deed ik.’

Ik keek haar aan.

‘Mijn oude nummer?’

‘Eerst wel. Je moeder zei dat je verhuisd was en gaf me je nieuwe adres.’

Mijn moeder was al jaren overleden.

Er was niemand meer aan wie ik het kon vragen.

‘Ik heb geschreven,’ zei Anna. ‘Twee keer.’

‘Ik heb nooit een brief gekregen.’

‘Dat weet ik nu.’

‘Hoe?’

Ze slikte.

‘Omdat ik daarna naar je toe ben gegaan.’

Mijn adem stokte.

‘Naar mijn nieuwe stad?’

‘Ja.’

‘Wanneer?’

‘Ik was bijna vijf maanden zwanger.’

Ik voelde de kamer kleiner worden.

‘En daar ontmoette je Caroline.’

Anna knikte.


Ik had Caroline ongeveer vier maanden na mijn verhuizing leren kennen.

Dat wist ik nog precies.

Ze werkte bij een boekhandel vlak bij mijn appartement.

Ik ging er iedere zaterdag koffie halen, hoewel de koffie verschrikkelijk was.

Zij plaagde me ermee.

Onze relatie begon langzaam.

Ik had haar over Anna verteld.

Niet alles.

Maar genoeg.

Caroline wist dat ik kort daarvoor een serieuze relatie had beëindigd.

Ze wist dat ik Anna ten huwelijk had gevraagd.

Ze wist dat ik nog steeds verdrietig was.

Wat ik niet wist, was dat Anna op een regenachtige donderdagmiddag voor mijn appartement had gestaan.

‘Jij was niet thuis,’ zei Anna.

‘Hoe wist je waar ik woonde?’

‘Je moeder had me het adres gegeven.’

‘En Caroline?’

‘Ze kwam naar buiten toen ik stond te wachten.’

Ik probeerde me voor te stellen hoe dat eruit moest hebben gezien.

Anna.

Eenentwintig.

Vijf maanden zwanger.

Alleen.

Caroline.

Vierentwintig.

De vrouw met wie ik nog maar kort aan het daten was.

‘Wat zei ze?’