Anna keek naar me.
‘Eerst was ze vriendelijk.’
‘Eerst?’
‘Ze vroeg wie ik was.’
‘En jij vertelde het.’
‘Ja.’
‘Ook over de baby?’
‘Ja.’
Mijn handen begonnen te trillen.
‘Wat deed Caroline?’
Anna zweeg.
‘Anna.’
‘Ze begon te huilen.’
Dat had ik niet verwacht.
‘Ze zei dat jij eindelijk weer gelukkig begon te worden. Dat je maandenlang kapot was geweest nadat onze relatie eindigde.’
Dat kon kloppen.
Ik was kapot geweest.
‘Toen zei ze dat je haar verteld had dat je nooit meer terug wilde naar het verleden.’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Dat heb ik nooit gezegd.’
‘Dat weet ik nu.’
‘Wat nog meer?’
Anna keek naar de vloer.
‘Ze zei dat je wist dat ik zwanger was.’
Mijn adem stopte.
‘Wat?’
‘Ze zei dat mijn brieven waren aangekomen.’
‘Nee.’
‘Dat jij ze had gelezen.’
‘Nee.’
‘En dat jij had gezegd dat het kind waarschijnlijk niet van jou was.’
Ik sprong opnieuw overeind.
‘Dat heb ik nooit gezegd!’
‘Dat weet ik, David.’
‘Ik wist niet eens dat je zwanger was!’
‘Dat weet ik.’
‘Hoe kun je daar zo rustig zitten?’
Anna keek me aan.
‘Omdat ik bijna veertig jaar de tijd heb gehad om hier boos over te zijn.’
Dat maakte me stil.
‘Ik geloofde haar,’ zei Anna.
‘Waarom?’
‘Omdat ze dingen over jou wist.’
‘Welke dingen?’
‘Waar je werkte. Hoe lang je er woonde. Dat je haar had verteld over onze breuk. Ze wist zelfs van de ring.’
De ring.
De eenvoudige verlovingsring die ik Anna had gegeven en die zij mij had teruggegeven voordat ik vertrok.
‘Caroline zei dat je die ring niet meer wilde zien.’
Ik sloot mijn ogen.
Ik had hem jarenlang bewaard.
Hij lag uiteindelijk in een doos bij mijn ouders.
Ik had hem nooit weggegooid.
‘Ze zei dat ik je met rust moest laten.’
‘En dat deed je.’
Anna knikte.
‘Ik was eenentwintig, zwanger en doodsbang. Mijn ouders waren woedend. Ik had geen geld. Ik dacht dat de man van wie ik hield mij niet alleen had verlaten, maar ook zijn eigen kind niet wilde.’
‘Anna…’
‘Ik haatte je.’
Ik knikte langzaam.
Ze had daar alle reden voor gehad.
Niet omdat ik iets had gedaan.
Maar omdat ze dacht dat ik het had gedaan.
‘Ik heb je jaren gehaat.’
‘En Thomas?’
Haar gezicht verzachtte.
‘Hij werd geboren op 14 maart.’
Ik voelde iets in mijn borst breken.
‘Was hij gezond?’
‘Heel gezond. Bijna vier kilo. Hij schreeuwde zo hard dat een verpleegkundige zei dat hij later waarschijnlijk advocaat zou worden.’
Ik lachte.
Een klein, gebroken geluid.
‘Is hij dat?’
‘Nee. Architect.’
Ik lachte opnieuw.
Daarna begon ik te huilen.
Anna gaf me een doos.
Niet groot.
Donkerblauw karton, versleten aan de randen.
Daarin zat een leven dat ik nooit had gezien.
Een ziekenhuisbandje.
Thomas van Dalen.
Een foto van een pasgeboren baby.
Donker haar.
Gesloten ogen.
Een geboortekaartje.
Een foto van zijn eerste verjaardag.
Thomas met taart over zijn gezicht.
Drie jaar.
Vijf.
Zijn eerste schooldag.
Twaalf.
Zestien.
Een diploma.
Ik pakte iedere foto vast alsof hij van glas was.
‘Wist hij van mij?’
vroeg ik.
Anna knikte.
‘Vanaf zijn twaalfde wist hij dat jij zijn biologische vader was.’
‘Wat vertelde je hem?’
‘Dat jij niet wilde blijven.’
Ik sloot mijn ogen.
‘Natuurlijk.’
‘Ik dacht dat het waar was.’
‘Ik weet het.’
‘Ik heb hem nooit verteld dat je een slecht mens was. Maar ik heb ook nooit verdedigd wat ik dacht dat je had gedaan.’
‘Heeft hij ooit naar me gezocht?’
‘Eén keer.’
Mijn ogen gingen open.
‘Wanneer?’
‘Toen hij negentien was.’
‘Wat gebeurde er?’
‘Hij vond je naam. Je werk. Hij zag dat je getrouwd was.’
‘Met Caroline.’
‘Ja.’
‘Heeft hij contact opgenomen?’
Anna aarzelde.
Dat was genoeg.
‘Heeft hij?’
‘Hij heeft een brief gestuurd.’
Ik kon nauwelijks ademhalen.
‘Naar wie?’