Na vier jaar in Canada kwam ik onaangekondigd thuis en vond ik mijn vrouw Eline met een kaalgeschoren hoofd, vel over been, terwijl ze achter in de tuin koude etensresten at. Mijn moeder zei dat ze haar straf zelf had verdiend. Ik schreeuwde niet. Ik vertelde alleen dat ik zojuist een schikking van één miljoen dollar had gekregen — en wachtte tot hun hebzucht het bewijs leverde.

Hij lachte kort. “Doe niet alsof je dom bent.”

Mijn moeder keek naar mij. Haar gezicht veranderde. Niet veel. Alleen haar mond werd iets smaller.

Ik liet een stilte vallen.

“Ik heb vandaag bericht gekregen,” zei ik. “De schikking is definitief. Ruim één miljoen dollar.”

Niemand zei iets.

Buiten tikte een tak tegen het raam. Eline stond nog steeds naast het schuurtje, haar blote hoofd glanzend in het grauwe middaglicht.

Joost was de eerste die weer bewoog.

“Canadese dollars?”

“Ja.”

“Netto?”

Mijn moeder gaf hem een scherpe blik, maar haar eigen vingers gingen al naar haar trouwring. Ze draaide hem rond en rond.

“Daan,” zei ze, “dat soort geld moet je niet zomaar op een rekening laten staan. Je hebt hier mensen nodig die weten hoe je dat moet aanpakken.”

“Dat zal.”

“Je vader zou hebben gewild dat we als familie—”

“Mijn vader is zes jaar geleden overleden.”

Ria zweeg.

Ik stond op.

“Waar is Eline’s identiteitskaart?”

Mijn moeder knipperde.

“Waarom?”

“Omdat ze naar de huisarts moet.”

“Dat is niet nodig.”

“Ze weegt waarschijnlijk nog geen vijftig kilo.”

“Ze is altijd klein geweest.”

Ik keek naar Joost. “Waar is haar kaart?”

Hij haalde zijn schouders op. “Geen idee.”

Ik pakte mijn telefoon en belde de huisartsenpraktijk van dokter Meijer in Maarssen. De assistente herkende mijn naam. Ze zei dat Eline al bijna twee jaar niet meer op afspraken was verschenen.

“Dat kan niet,” zei ik.

“Volgens ons dossier heeft mevrouw Vermeer in maart vorig jaar een afspraak geannuleerd.”

“Wie heeft dat gedaan?”

“Dat staat niet genoteerd.”

Mijn moeder liep naar het raam.

“Ze had daar geen behoefte aan,” zei ze.

Ik keek haar aan.

“Eline?”

Ze antwoordde niet.

Ik vond haar identiteitskaart in een lade onder de ovenhandschoenen. Daarnaast lag haar bankpas. De pas was doormidden geknipt.

Toen ik ermee naar buiten liep, begon Eline te trillen.

“Niet hier,” fluisterde ze.

“Waar dan?”

“Bij Noor.”

“Noor de Wit?”

Ze knikte.

Noor woonde twee huizen verderop. Ze was de enige buurvrouw met wie Eline vóór mijn vertrek goed contact had gehad. Ik belde aan, maar niemand deed open. Op dat moment ging de deur van het huis naast ons op een kier.

Noor keek naar Eline en werd bleek.

“Ik dacht dat je weg was,” zei ze.

“Dat zei mijn moeder zeker?”

Noor liet haar blik zakken.

“Ze zei dat Eline opgenomen was.”

“Waar?”

“Ik weet het niet.”

“Je hebt haar hier gezien.”

Noor kneep haar handen in elkaar. “Een paar keer. Maar Ria zei dat het een familiezaak was.”

Eline keek haar niet boos aan. Dat maakte het erger.

“Je had de politie kunnen bellen,” zei ze.

Noor slikte. “Ja.”

Niemand zei iets meer.

Ik bracht Eline naar de huisartsenpost. In de wachtkamer hield ze haar jas aan, ook al was het er warm. Toen de arts haar vroeg om op de weegschaal te staan, keek ze eerst naar mij.

“Je hoeft niets te doen wat je niet wilt,” zei ik.

Ze stapte op de weegschaal.

41,6 kilo.

De arts keek naar het getal, daarna naar haar polsen. Hij vroeg of ze thuis veilig was. Eline antwoordde niet.

De arts vroeg het opnieuw, dit keer zonder mij in de kamer.

Na tien minuten kwam hij terug. Zijn gezicht was neutraal, maar zijn stem niet.

“Uw vrouw wil niet dat ik de politie bel.”

“Waarom niet?”

“Omdat ze bang is dat het erger wordt.”

Ik ging zitten. De stoel kraakte onder mijn gewicht.

“Wat kan ik doen?”

“Zorg dat ze vannacht niet teruggaat naar die woning.”

Eline zat op het onderzoeksbed en keek naar haar handen.

“Ik kan nergens heen,” zei ze.

“Je kunt met mij mee.”

“Je gelooft me niet.”

Die woorden kwamen zonder verwijt. Ze waren daardoor moeilijker te verdragen.

“Ik geloof je nu.”

“Nu?”

Ik had daar geen antwoord op.

Die avond nam ik haar mee naar een hotel bij Breukelen. Ik bestelde soep, brood en yoghurt. Ze at drie lepels en schoof de kom toen weg. Haar lichaam leek niet meer te weten wat het met normaal eten moest doen.

“Waarom heb je me nooit verteld wat er gebeurde?”

Ze pakte het lepeltje op, legde het recht naast de kom en zei: “Ik heb het geprobeerd.”

“Wanneer?”

“Vaak.”

“Je schreef dat je met rust gelaten wilde worden.”

“Dat heb ik niet geschreven.”

Ik keek haar aan.

Ze trok een oud toestel uit de zak van haar jas. Het scherm was gebarsten.

“Dit vond ik onder mijn matras. Mijn telefoon was weg. Ik heb je berichten gelezen op de tablet in de woonkamer. Ze waren niet van jou.”

“Wat bedoel je?”

“Mijn moeder stuurde ze.”

Ik voelde de spieren in mijn kaak aanspannen.

Eline opende een map met schermafbeeldingen. Sommige berichten waren vanaf mijn oude e-mailadres verstuurd. Andere kwamen van een nummer dat ik niet kende.

Daan, ik wil niet meer naar Canada.

Daan, ik heb iemand anders ontmoet.

Daan, maak alsjeblieft geen geld meer over.

Ik herkende mijn eigen naam boven de berichten, maar niet de woorden.

“Hoe wist ze mijn wachtwoord?”

“Je had het op een briefje in de bureaula geschreven. Voor je belastingaangifte.”

“En je hebt dit al die tijd bewaard?”