De níspero (Japanse mispel) is het eerste fruit van de Spaanse lente. Spanje is de grootste producent van Europa, met Callosa d’en Sarrià in de provincie Alicante als kloppend hart. Maar wat is dit Spaanse superfruit eigenlijk en wanneer wordt het gegeten?
Wie in april, mei en juni over een Spaanse markt loopt, ziet ze liggen: kleine oranje vruchten met een gladde schil, een beetje weg van een mini-abrikoos. Dit is de níspero, de vrucht die de lente aankondigt nog voordat de kersen en abrikozen in de schappen liggen. De smaak balanceert tussen zoet en licht zuur; het vruchtvlees is zacht en sappig.
Het hart van de teelt ligt in Callosa d’en Sarrià, een dorp in de comarca (streek) Marina Baixa in de provincie Alicante, vlak achter Benidorm. Deze streek draagt al decennia een eigen Denominación de Origen Protegida (Beschermde Oorsprongsbenaming) en levert ongeveer de helft van de hele Spaanse productie.
Het Valenciaanse wetenschapsmagazine Mètode noemt de níspero niet voor niets het eerste fruit van de lente: de boom bloeit in de herfst en draagt zijn vruchten als veel ander fruit nog moet beginnen.
Wat is een níspero precies?
De níspero, ook wel loquat genoemd, hoort bij de rozenfamilie, net als de appel, de peer en de kers. Onder de dunne oranje schil zit lichtgeel vruchtvlees met twee tot vier grote, glanzend bruine pitten in het hart. Je schilt de vrucht makkelijk met de hand of eet hem zo op, nadat je de pitten hebt verwijderd. Die pitten laat je liggen, want ze bevatten kleine hoeveelheden stoffen die het lichaam omzet in blauwzuur.
Waarom geldt de níspero als Spaans superfruit?
De vrucht scoort op drie punten. Ze komt als eerste van het seizoen, ze groeit nergens in Europa zo veel als hier, en ze past naadloos in het mediterrane eetpatroon. Spanje leunt voor zijn gezondheid sterk op verse groente en fruit, het mediterrane dieet waaraan het land een groot deel van zijn hoge levensverwachting te danken heeft. Veel water, weinig calorieën en een flinke dosis vezels maken de níspero tot een lichte tussendoor.