DEEL 1 — DE MAN NAAST MIJ
Om 3.17 uur ’s nachts werd ik wakker van mijn telefoon.
Niet langzaam.
Niet op die verwarde manier waarop je soms midden in een droom naar een geluid zoekt.
Mijn lichaam schoot onmiddellijk overeind, alsof iets in de toon van de oproep al wist dat er slecht nieuws kwam.
Naast mij lag mijn man.
Sebastiaan.
Eén been zwaar over mijn dij, zijn rechterarm onder het kussen, zijn ademhaling diep en gelijkmatig.
Op mijn scherm stond:
ONBEKEND NUMMER
Ik nam op.
‘Met Lotte de Vries.’
Een mannenstem.
Zakelijk.
Voorzichtig.
‘Mevrouw De Vries?’
‘Ja.’
‘U spreekt met rechercheur Van Leeuwen van de politie. Het spijt me dat ik u midden in de nacht bel. We hebben reden om aan te nemen dat uw echtgenoot, de heer Sebastiaan de Vries, betrokken is geweest bij een ernstig verkeersongeval.’
Mijn hoofd draaide automatisch naar de man naast mij.
‘Dat kan niet.’
‘Mevrouw—’
‘Mijn man ligt naast me.’
Stilte.
Geen normale stilte.
Een stilte waarin aan de andere kant iemand iets opnieuw controleerde.
‘Kunt u dat herhalen?’
‘Hij ligt hier. Naast me. In bed.’
Ik hoorde papier.
Een tweede stem op achtergrond.
Toen kwam rechercheur terug.
Langzamer.
‘Mevrouw De Vries, ik wil dat u mij heel goed begrijpt. Maak de man naast u niet wakker. Verlaat, als dat veilig kan, de slaapkamer.’
Mijn hart sloeg zo hard dat ik nauwelijks hoorde.
‘Waarom?’
‘Omdat het voertuig dat om 02.48 uur op de buitenring is verongelukt op naam staat van uw echtgenoot. De overleden bestuurder droeg zijn identiteitskaart, zijn telefoon, zijn portemonnee en een trouwring met de initialen S en L.’
Mijn vingers werden koud.
‘Dat is onmogelijk.’
‘Ik begrijp—’
‘Nee. U begrijpt het niet. Ik kan hem aanraken.’
Ik keek naar Sebastiaan.
Hij lag nog steeds stil.
‘Mevrouw, staat u op en—’
Toen opende hij zijn ogen.
Niet slaperig.
Volledig wakker.
Hij keek rechtstreeks naar mij.
‘Lieverd?’
Mijn adem stopte.
Zijn stem klonk normaal.
Precies zoals altijd.
‘Met wie heb je het over mijn dood?’
Ik dwong mezelf te lachen.
Een hoog, onnatuurlijk geluid.
‘Een of andere oplichter.’
Sebastiaan trok een wenkbrauw op.
‘Om drie uur ’s nachts?’
‘Ze zeggen dat jij een ongeluk hebt gehad.’
Hij lachte zacht.
‘Nieuwe variant zeker.’
Hij draaide zich op zijn rug.
Ik wilde uit bed stappen.
Zijn hand schoot naar mijn pols.
Hard.
Niet pijnlijk genoeg om een blauwe plek te veroorzaken.
Wel veel harder dan nodig.
‘Waar ga je heen?’
Ik keek naar zijn hand.
Toen naar zijn gezicht.
‘Naar de wc.’
Een seconde.
Toen liet hij los.
‘Sorry.’
Ik stond op.
Mijn benen voelden vreemd slap.
In badkamer deed ik deur op slot.
De verbinding met politie was verbroken.
Ik belde 112.
Deze keer wist ik binnen minuten zeker dat het geen oplichting was.
Er was werkelijk een zwarte SUV van de weg geraakt.
Mijn zwarte Volvo XC90.
De auto die Sebastiaan meestal gebruikte.
De bestuurder was overleden.
Ik vertelde dat mijn man naast mij lag.
Binnen twaalf minuten stonden twee agenten beneden.
Sebastiaan deed open.
Volkomen kalm.
Hij toonde identiteitskaart uit een lade.
Dat was vreemd op zichzelf.
Zijn identiteitskaart zou volgens politie op lichaam liggen.
‘Ik heb een tweede kaart aangevraagd nadat mijn portemonnee vorig jaar zoek was,’ zei hij.
‘Is de oude ooit officieel als vermist opgegeven?’ vroeg de agent.
‘Volgens mij wel.’
Hij zei het zonder aarzeling.
Daarna trok hij een cynische grijns.
‘Dus iemand steelt mijn auto, mijn telefoon, mijn oude ID en zelfs mijn sieraden. Geweldige nacht.’
‘Uw trouwring ook?’
Sebastiaan keek naar zijn linkerhand.
Leeg.
Mijn hart miste een slag.
‘Ik draag hem de laatste tijd niet ’s nachts.’
Dat klopte.
Soms.
‘Waar ligt hij?’
Hij keek naar nachtkastje.
Geen ring.
‘Waarschijnlijk beneden.’
De agent zei niets.
Later reden wij mee naar ziekenhuis.
Ik wilde niet.
Toch moest ik.
De persoonlijke spullen lagen op een roestvrijstalen tafel.
Portemonnee.
Horloge.
Telefoon, zwaar beschadigd.
En trouwring.
Goud.
Binnenkant:
S & L — 14.06.
Onze trouwdatum.
Mijn knieën werden slap.
Het horloge herkende ik ook.
Een Omega die ik Sebastiaan voor ons vijfjarig huwelijk had gegeven.
‘Kan gestolen zijn,’ zei hij.
Zijn stem was kouder geworden.
Forensisch arts vertelde wat er voorlopig bekend was.
Man.
Waarschijnlijk tweeëndertig tot vierendertig.
Lengte rond 1,78.
Bloedgroep A positief.
Een oud operatielitteken rechtsonder in buik, passend bij blindedarmoperatie.
Sebastiaan was tweeëndertig.
1,78 meter.
Bloedgroep A positief.
En vijf jaar geleden geopereerd aan zijn blindedarm.
Hij trok zijn overhemd omhoog.
Daar zat het litteken.
Bijna op dezelfde plek.
Ik voelde me krankzinnig worden.
‘DNA,’ zei ik.
De arts knikte.
‘Dat is aangevraagd.’
‘Hoe lang?’
‘Niet vannacht.’
Sebastiaan legde arm rond mij.
Ik kromp bijna zonder het te willen.
Hij voelde het.
‘Lotte.’
‘Sorry.’
‘Kijk naar me.’
Ik deed het.
‘Ik ben het.’
In de lift terug naar parkeergarage vertelde hij ineens over onze eerste kus.
Universiteitsbibliotheek.
Regen.
Mijn knoflookbrood.
Hoe ik drie keer kauwgom had genomen omdat ik bang was dat mijn adem stonk.
Een detail dat niemand anders hoorde.
Ik voelde tranen.
‘Zie je?’
Ik wilde hem geloven.
Meer dan alles.
Bij thuiskomst stapte hij als eerste lift in.
Drukte knop van onze verdieping in.
Met links.
Ik zag het.
Sebastiaan was obsessief rechtshandig.
Hij schreef rechts.
At rechts.
Poetste tanden rechts.
Hield telefoon rechts.
Hij grapte zelfs dat zijn linkerhand ‘decoratief’ was.
Nu drukte hij knop met links.
‘Wat?’ vroeg hij.
‘Niets.’
Om negen uur belde rechercheur Van Leeuwen opnieuw.
De parkeergaragecamera had onze SUV om 22.22 uur zien vertrekken.
Bestuurder droeg pet.
Gezicht niet zichtbaar.
Maar ons slimme slot registreerde geen vertrek van Sebastiaans profiel.
Volgens woninglog was Sebastiaan om 19.06 binnengekomen en daarna niet meer vertrokken.
Dat betekende:
óf systeem klopte niet;
óf iemand anders reed de auto;
óf de man naast mij was nooit degene die om 19.06 met zijn geregistreerde vingerafdruk binnenkwam.
Na gesprek bleef ik alleen aan keukentafel zitten.
Sebastiaan was naar kantoor gegaan.
Tenminste, dat zei hij.
Toen herinnerde ik mij de melk.
Rond halfelf had hij warme melk gemaakt.
‘Neem je slaappil,’ zei hij.
Ik gebruikte al maanden af en toe een licht slaapmiddel op voorschrift.
Normaal werd ik ontspannen.
Die nacht was ik bijna onmiddellijk weggezonken.
Zwaar.
Alsof mijn lichaam van mij werd afgepakt.
Nog iets.
Toen we naar bed gingen droeg Sebastiaan een zwarte pyjamabroek.
Daar was ik zeker van.
Toen politie belde:
grijs.
Ik pakte telefoon.
Opende de app van het slimme slot.
Drie geregistreerde vingerafdrukprofielen.
LOTTE
SEBASTIAAN
En:
USER 3
Geen naam.
Toegevoegd acht maanden geleden.
Ik opende logboek.
Mijn adem stokte.
USER 3 had in acht maanden zevenenveertig keer de deur geopend.
Meestal tussen 00.00 en 05.00 uur.
Soms slechts enkele minuten nadat Sebastiaans profiel al als thuis geregistreerd stond.
Mijn vingers trilden.
Ik scrolde.
12 januari, 01.14.
Sebastiaan thuis sinds 20.32.
USER 3 binnen 01.14.
17 januari.
Sebastiaan 19.48.
USER 3 02.06.
1 februari.
Sebastiaan 21.03.
USER 3 03.11.
En zo door.
Zevenenveertig keer.
Ik staarde naar cijfers totdat ze begonnen te vervagen.
Het lichaam in mortuarium was misschien niet het grootste probleem.
De echte vraag was:
wie had de afgelopen acht maanden midden in de nacht onze deur geopend terwijl mijn man volgens systeem al naast mij lag?
En nog erger:
wie had er werkelijk naast mij gelegen?