DEEL 2 — IK BELDE NIET MIJN MAN
Ik wilde Sebastiaan bellen.
Reflex.
De man met wie ik negen jaar samen was.
De persoon aan wie ik iedere rare situatie vertelde.
Ik drukte bijna op zijn naam.
Toen dacht ik aan zijn hand om mijn pols.
Waar ga je heen?
Ik stopte.
In plaats daarvan belde ik rechercheur Van Leeuwen.
‘Ik heb iets gevonden.’
Hij kwam samen met een digitale rechercheur naar appartement.
Ik liet logs zien.
‘Heeft uw man beheerrechten tot dit systeem?’
‘Ja.’
‘U ook?’
‘Ja.’
‘Wie kan gebruikers toevoegen?’
‘Wij allebei.’
‘Wanneer is USER 3 aangemaakt?’
15 januari, acht maanden eerder, 23.41 uur.
Ik keek agenda.
Die datum waren Sebastiaan en ik thuis geweest.
Ik had migraine.
Was vroeg naar bed.
‘Kunt u zien wie profiel heeft toegevoegd?’
De rechercheur schudde hoofd.
‘Niet in consumentenapp. Fabrikant kan mogelijk backendlog leveren.’
‘Kun je de vingerafdruk uitlezen?’
‘Niet als afbeelding. Systeem bewaart template.’
Van Leeuwen keek mij.
‘Heeft uw man een broer?’
‘Nee.’
‘Neef die sterk lijkt?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Adoptie?’
‘Nee.’
‘Identieke tweeling?’
Ik lachte uit pure spanning.
‘Dat zou ik toch weten?’
Hij zei niets.
Dat antwoord beviel mij niet.
‘Waarom vraagt u dat?’
‘Omdat lichamelijke overeenkomsten opvallend zijn. Maar we wachten DNA.’
Ik keek naar mortuariumspullen op foto.
‘Als DNA zegt dat dode man familie is?’
‘Dan weten we meer.’
‘En als het precies mijn man is?’
‘Dan hebben we een veel groter probleem met man die bij u thuis was.’
Mijn maag draaide.
‘Moet ik hier blijven?’
‘Nee.’
Daar was hij duidelijk over.
‘Ga vandaag ergens anders heen. Vertel de heer De Vries niet waar. Wij nemen contact met hem op via reguliere weg. Geen confrontatie.’
Ik pakte tas.
Niet veel.
Laptop.
Paspoort.
Medicijnen.
Twee shirts.
Tandenborstel.
Toen opende ik medicijnkast.
Mijn slaapmiddelen.
Potje leek normaal.
Ik telde.
Te weinig.
Misschien.
Ik wist niet hoeveel ik gebruikte.
‘Neem die mee,’ zei rechercheur.
‘Waarom?’
‘Voor analyse.’
Mijn telefoon trilde.
Sebastiaan:
Vanavond eten? Ik haal sushi.
Ik staarde.
Normale zin.
Misschien van mijn man.
Misschien van iemand anders.
Ik antwoordde:
Ik slaap vannacht bij Marit. Ik ben overstuur.
Marit was mijn beste vriendin.
Niet waar.
Ik ging naar klein hotel onder andere naam via politieadvies.
Hij reageerde:
Waarom? Ik kom wel mee.
Ik:
Ik moet alleen zijn.
Drie puntjes.
Verdwenen.
Toen:
Oké. Bel me.
Geen boosheid.
Dat maakte het erger.