‘Waarschijnlijk wel,’ zei Sabine. ‘Maar ze heeft urenlang te weinig zuurstof gehad. We moeten afwachten.’
‘Hoe lang lag ze in die kist?’
‘Dat proberen de rechercheurs vast te stellen.’
Ik dacht aan de krasjes onder haar nagels. Aan de blauwe rand om haar mond. Daarna liep ik naar het toilet en waste mijn handen.
Eén keer.
Nog een keer.
Pas de derde keer zag ik dat er een dunne witte draad van de binnenbekleding van de kist om mijn trouwring zat.
Rechercheurs Niels Bakker en Claire van Dongen spraken mij diezelfde middag. Claire legde een rode map op tafel. De map was vrijwel leeg.
‘We bouwen het dossier nog op,’ zei ze. ‘Daarom moeten we u iets vragen wat pijnlijk kan zijn. Had Daan een financieel belang bij Noors overlijden?’
Ik antwoordde niet meteen.
Mijn dochter Eline Vermeer was zevenendertig toen ze elf maanden eerder onder aan haar trap werd gevonden. Ze was fiscalist en mede-eigenaar van een adviesbureau aan de Utrechtse Maliebaan. Haar aandelen, woning en beleggingen waren samen ongeveer 2,3 miljoen euro waard.
Eline en Daan waren op huwelijkse voorwaarden getrouwd. In haar testament had ze Noor als enige erfgenaam aangewezen. Ik was benoemd tot bewindvoerder tot Noors vijfentwintigste verjaardag.
Daan kon in de woning blijven wonen zolang hij voor Noor zorgde, maar hij kon niets verkopen en geen geld uit haar vermogen opnemen zonder mijn toestemming.
Hij had dat drie keer geprobeerd.
De eerste keer wilde hij 180.000 euro lenen voor een bouwproject in Nieuwegein. De tweede keer wilde hij aandelen uit Elines nalatenschap gebruiken als zekerheid voor een banklening. De derde keer stuurde zijn advocaat mij een brief waarin stond dat mijn weigering Noors welzijn zou schaden.
Ik had alle drie de verzoeken afgewezen.
‘Als Noor was overleden,’ vroeg Claire, ‘wie dacht Daan dan dat het vermogen zou krijgen?’
‘Hijzelf,’ zei ik.
Niels keek op.
‘Dacht?’
‘Eline heeft een aanvullende regeling laten opnemen. Een tweetrapsmaking. Als Noor vóór haar vijfentwintigste zou overlijden, zou het resterende vermogen niet naar Daan gaan. Het zou naar een stichting voor kinderen van alleenstaande ouders gaan.’
‘Wist Daan dat?’
‘Nee. Alleen Eline, de notaris en ik.’
Claire sloot de rode map.
‘Dan is geld misschien niet zijn enige motief.’
Die avond werd Daan aangehouden op verdenking van poging tot moord. Huisarts Bram Kuiper, tweeënveertig jaar en een oude studievriend van Daan, werd enkele uren later uit zijn praktijk in Hilversum gehaald.
Bram had de overlijdensverklaring getekend.
Hij beweerde dat hij maandag om 05.40 uur bij Daan thuis was gekomen en Noor zonder hartslag had aangetroffen. Hij zou reanimatie zinloos hebben gevonden vanwege de vermeende duur sinds het overlijden.
Maar de gegevens van zijn auto vertelden iets anders. Zijn wagen had die ochtend niet in Maarssen gestaan. De parkeerregistratie toonde dat hij van 05.18 tot 07.02 uur bij een hotel langs de A2 was geweest.
Zijn verklaring was vals.
Ook de uitvaartondernemer werd gehoord. Hij vertelde dat Daan had geweigerd Noor te laten verzorgen. De kist moest gesloten blijven en stond tot de ochtend van de begrafenis in de garage van de woning.
Dat was ongebruikelijk, maar niet verboden.
De verzegelde kist die het uitvaartbedrijf zondag had afgeleverd, woog bij aankomst vierenveertig kilo. Bij de aula woog hij tweeënzestig kilo. Het verschil was nooit opgemerkt omdat Daan zelf had geholpen met dragen.
Een deurbelcamera van de overburen liet zien wat er was gebeurd.
Om 07.14 uur reed Bram Kuiper zijn grijze wagen de oprit op. Hij droeg een zwarte medische tas. Om 07.39 uur kwamen Bram en Daan samen uit de woning, met Noor slap tussen hen in, gewikkeld in een deken.
Ze legden haar in de kist.
Bram vertrok zes minuten later. Daan bleef nog even in de garage staan. Hij keek niet naar de kist. Hij keek naar zijn telefoon.
Daarna deed hij het licht uit.
Toen Claire mij de beelden liet zien, hield ik de sleutel van Elines huis zo hard vast dat de tanden ervan in mijn handpalm stonden.
‘Hij heeft haar levend naar haar eigen begrafenis gebracht.’
Claire knikte.
‘Ja.’
‘En daarna wilde hij haar laten cremeren.’
‘Om 14.30 uur.’
Het was 13.52 uur geweest toen ik het gekras hoorde.
Achtendertig minuten.
Meer tijd had Noor niet gehad.
Twee dagen later werd ze wakker.
Ik zat naast haar bed met een lauwe beker koffie toen haar wijsvinger over het laken bewoog. Haar ogen openden zich langzaam. Ze keek eerst naar het plafond, daarna naar de slang in haar arm en ten slotte naar mij.
‘Is papa boos?’