Ik zette de beker neer. Koffie liep over mijn vingers, maar ik voelde de warmte nauwelijks.
‘Papa kan niet bij je komen.’
‘Omdat ik wakker ben geworden?’
‘Omdat hij je pijn heeft gedaan.’
Ze draaide haar gezicht naar het raam. Op de vensterbank stond een plastic molentje dat niet draaide.
‘Hij zei dat ik net als mama alles kapotmaakte.’
Ik wachtte.
Bij kinderen moet je stilte niet te snel vullen. Volwassenen doen dat om zichzelf gerust te stellen.
‘Wat maakte mama kapot?’
Noor kneep haar ogen dicht.
‘De plannen.’
Daarna trok ze de deken tot aan haar kin en wilde ze niet meer praten.
Een kinderpsycholoog nam de gesprekken over. Niet omdat ik haar niet geloofde, maar juist omdat ieder verkeerd gesteld woord later door Daans advocaat gebruikt kon worden.
Noor tekende veel. Eerst alleen vierkante huizen zonder deuren. Toen een trap. Boven aan de trap tekende ze haar moeder Eline. Onderaan lag een rode schoen.
Naast Eline stonden twee figuren.
Eén lange man.
Eén vrouw met geel haar.
Daan was donkerblond. Zijn nieuwe vriendin Sanne de Groot had lichtblond haar en droeg tijdens Elines huwelijk al opvallend rode enkellaarzen. Ze was financieel directeur bij Daans vastgoedbedrijf geweest.
Volgens Daan was hun relatie pas vier maanden na Elines dood begonnen.
Volgens de agenda van een hotel in Breukelen boekten ze al ruim een jaar eerder iedere tweede donderdag dezelfde kamer.
Sanne was ook op Noors begrafenis geweest. Ze had op de eerste rij gezeten met haar rode schoenen onder de stoel. Toen ik de kist opende, was zij niet naar voren gekomen.
Ze was via de keuken vertrokken.
De politie hield haar aan op Schiphol, met een enkeltje naar Lissabon en 34.000 euro contant geld in haar handbagage.
In haar appartement vonden rechercheurs een map met kopieën van Elines testament, bankafschriften van Daan en een berekening met drie kolommen: woning, aandelen en liquide middelen.
Onder aan de laatste pagina stond met de hand geschreven:
Na N. volledig vrij.
Maar het belangrijkste bewijs lag niet bij Sanne. Het lag al elf maanden in een lade in mijn eigen huis.
Eline had Noor na een periode van nachtmerries een babyfoon met geluidsopname gegeven. De opnamen werden automatisch opgeslagen op een gezinsaccount. Na Elines dood had Daan mij verteld dat het apparaat defect was en had ik het in een doos met Noors spullen gelegd.
Een digitaal rechercheur vroeg of er apparaten van Noor bij mij thuis lagen.
Ik gaf hem de doos.
Op de babyfoon stond een opname van de avond waarop Eline stierf.
Om 22.18 uur hoorde je haar de slaapkamer van Noor binnenkomen.
‘Ga maar slapen, lieverd. Mama moet beneden iets bespreken.’
Om 22.31 uur klonk vanuit de gang een mannenstem. Daan.
‘Je begrijpt niet wat er gebeurt als die bank dit ontdekt.’
Daarna Eline.
‘Ik begrijp het prima. Je hebt mijn handtekening vervalst voor 640.000 euro.’
Een vrouwenstem zei dat ze zachter moesten praten.
Sanne.
Er volgde een deur die dichtsloeg, snelle voetstappen en het geluid van glas. Daarna zei Eline één zin die ik later honderden keren in mijn hoofd hoorde.
‘Morgen ga ik naar de politie.’
Om 22.36 uur klonk een doffe klap.
Toen stilte.
Zeventien seconden later vroeg Sanne: ‘Ademt ze nog?’
Daan antwoordde: ‘Raak haar niet aan.’
‘We moeten bellen.’
‘Nog niet.’
Er verstreken achttien minuten voordat hij 112 belde.
In die achttien minuten verwijderde Daan berichten van Elines telefoon, legde hij een glas wijn naast haar lichaam en verplaatste hij één van haar pantoffels naar de bovenste traptrede. Hij vertelde de politie dat zij had gedronken en was gevallen.