Op de dag dat ik mijn vrouw twee klappen gaf, stond mijn moeder naast me te applaudisseren.

DEEL 2

Cătălin merkte blijkbaar niet wat hij zojuist had gezegd.

“Waarom kijk je zo?”

Ik bleef hem aankijken.

“Het is ónze moeder.”

Ja. Dat zeg ik toch?”

“Precies.”

Hij trok geïrriteerd aan zijn jas.

“Wat wil je daarmee zeggen?”

“Dat Bianca er niets mee te maken heeft.”

“Eindelijk begrijp je het.”

“Nee, Cătălin. Jij begrijpt het nog steeds niet.”

Hij fronste.

“Jarenlang vonden wij het vanzelfsprekend dat Irina voor mam zorgde. Boodschappen, koken, schoonmaken, ziekenhuisbezoeken. Maar zodra het over Bianca gaat, zeg jij: waarom zou ik háár daarmee opzadelen?”

Zijn gezicht veranderde.

“Dat is anders.”

“Waarom?”

“Bianca en mam kunnen niet goed met elkaar overweg.”

Ik lachte bitter.

“Denk je dat Irina en mam goed met elkaar overweg konden?”

“Dat bedoel ik niet.”

“Wat bedoel je dan?”

Hij had geen antwoord.

De deur van de ziekenkamer ging open.

Mijn vader kwam naar buiten.

Hij leek in een paar uur tien jaar ouder geworden.

“De dokter zegt dat ze misschien volgende week naar huis mag.”

Cătălin reageerde onmiddellijk.

“Dan moeten we iemand regelen.”

“Iemand?” vroeg ik.

“Ja. Een verzorger of zo.”

“Wie betaalt dat?”

Hij keek naar mij alsof het antwoord vanzelfsprekend was.

“We delen het.”

“Prima.”

“Maar jij verdient meer.”

Daar was het weer.

Dezelfde logica.

Degene die het meeste kon dragen, moest het meeste dragen.

Degene die het minst protesteerde, kreeg de zwaarste last.

En jarenlang was dat Irina geweest.

Mijn vader ging op een plastic stoel zitten.

“Misschien kan Irina helpen.”

Ik keek hem aan.

Hij zei het zonder ironie.

Alsof 28 december 2015 nooit had bestaan.

“Waarom Irina?”

“Ze is verpleegkundige.”

“Dus?”

“Ze weet hoe dit moet.”

Cătălin knikte.

“Precies. Misschien kan ze in ieder geval de eerste weken—”

“Nee.”

Ze keken allebei naar me.

Mijn vader fronste.

“Heb je het haar al gevraagd?”

“Nee.”

“Hoe weet je dan dat ze nee zegt?”

“Omdat ik het haar niet ga vragen.”

Cătălin lachte ongelovig.

“Andrei, dit gaat over mam.”

“Dat weet ik.”

“Dan gedraag je je alsof je nog steeds bang bent voor je vrouw.”

Acht jaar eerder zou die zin genoeg zijn geweest.

Mijn broer hoefde maar te suggereren dat ik geen echte man was en ik zou naar huis zijn gegaan om Irina te bewijzen dat ik dat wel was.

Misschien door mijn stem te verheffen.

Misschien door iets van haar te eisen.

Misschien door opnieuw de verkeerde persoon te straffen voor mijn eigen schaamte.

Maar ik was geen dertig meer.

En sommige lessen komen pas wanneer je zo lang fout bent geweest dat je eindelijk niet meer kunt doen alsof.

“Ik was vroeger niet bang genoeg voor haar grenzen,” zei ik.

Cătălin staarde me aan.

“Wat?”

“Laat maar.”

Die avond reed ik naar huis.

Irina zat aan de keukentafel toen ik binnenkwam.

Mara, inmiddels zeven, sliep al.

Irina keek naar mijn gezicht.

“Hoe gaat het met haar?”

“Ze heeft een beroerte gehad.”

Ze legde haar telefoon neer.

“Ernstig?”

“De rechterkant is grotendeels uitgevallen. Ze zal lang moeten revalideren.”

Een paar seconden zei ze niets.

Toen:

“Dat spijt me.”

Geen sarcasme.

Geen voldoening.

Gewoon medeleven.

Dat maakte het bijna erger.

Ik ging tegenover haar zitten.

“Cătălin zegt dat hij niet voor haar kan zorgen.”

Irina knikte.

“Dat verbaast me niet.”

“Bianca hoeft het volgens hem niet te doen omdat het zijn moeder is.”

Irina keek me aan.

Ze hoefde niets te zeggen.

“Ik hoorde het ook,” zei ik.

“Wat?”

“Hoe absurd het klonk.”

Ze bleef stil.

“Pap stelde voor jou te vragen.”

Haar gezicht veranderde niet.

Dat was erger dan woede.

“En?”

“Ik zei nee.”

Nu reageerde ze wel.

Een kleine beweging van haar wenkbrauw.

“Je hebt namens mij nee gezegd?”

“Ja.”

“Waarom?”

Ik dacht aan het ziekenhuis.

Aan mijn broer.

Aan mijn moeder in bed.

Aan acht jaar eerder.

“Omdat ze mijn moeder is.”

Irina keek naar haar handen.

“Dat heb ik acht jaar lang geprobeerd uit te leggen.”

“Ik weet het.”

“Nee.”

Ze keek op.

“Je begint het te begrijpen. Dat is niet hetzelfde.”

Ze had gelijk.

Zoals zo vaak.

Ik ademde diep in.

“Irina, over die avond…”

Ze stond op.

“Niet vandaag.”

“Maar—”

“Je moeder heeft vandaag een beroerte gehad. Ik wil niet dat je schuldgevoel en haar ziekte door elkaar haalt.”

Ik zweeg.

“Regel haar zorg omdat ze zorg nodig heeft,” zei ze. “Niet omdat je ineens van mij vergeving wilt.”

Daarna liep ze naar boven.

Ik bleef alleen aan tafel zitten.

En voor het eerst probeerde ik haar woorden niet te gebruiken om mezelf beter te voelen.

De weken daarna waren zwaar.

Mijn moeder kwam thuis met een ziekenhuisbed, een rollator en een schema dat onze hele familie ineens om medische afspraken liet draaien.

Fysiotherapie.

Logopedie.

Medicatie.

Controleafspraken.

Hulp bij wassen en aankleden.

Mijn vader kon veel niet alleen.

Cătălin en ik maakten een rooster.

Hij protesteerde meteen.

“Drie avonden per week? Ben je gek?”

“Dan betalen we meer professionele thuiszorg.”

“Dat is duur.”

“Zorg kost geld.”

“Kun jij niet vaker?”

“Nee.”

“Waarom niet?”

“Omdat ik ook een vrouw en dochter heb.”

Hij lachte.

“Nu ineens?”