Op die telefoon stonden berichten tussen Jeroen en zijn moeder, Marianne van Dijk.
Marianne had hem na Eva’s dood geadviseerd de hals te bedekken. Ze had hem verteld dat hij „geen domme vragen bij de uitvaart” moest toestaan. In een bericht van 23.54 uur schreef ze:
Zorg dat ze morgen weg is. Als ze gecremeerd is, is er geen gedoe meer.
Ik las dat bericht in het politiedossier en moest mijn bril afzetten. Niet omdat ik huilde. Mijn ogen brandden van de spanning.
Marianne was tijdens de wake naast Jeroen blijven zitten. Ze had mijn hand vastgepakt en gezegd dat we „samen sterk moesten zijn”.
De familie kwam even praten, had ze gezegd.
In Nederland betekende dat blijkbaar soms dat iemand met koffie en appeltaart probeerde te voorkomen dat een lichaam onderzocht werd.
Marianne gaf uiteindelijk toe dat ze Jeroen had geholpen. Niet bij de verwurging, zei ze, maar wel bij het verbergen van de laptop en het bedenken van het verhaal over de hartstilstand. Ze beweerde dat ze bang was geweest dat haar zoon naar de gevangenis zou gaan.
„U was niet bang voor de gevangenis,” zei rechercheur Meijer tegen haar. „U was bang dat u uw huis en inkomen zou verliezen.”
Dat bleek te kloppen. Marianne had zelf geld uit Jeroens bedrijf ontvangen. In ruil daarvoor had zij een deel van Eva’s eigendom aan een vastgoedhandelaar willen verkopen zodra de volmacht was geregistreerd.
De notaris had de verkoop nooit uitgevoerd omdat Eva niet was verschenen.
De zaak kwam bijna een jaar later voor de rechtbank in Noord-Holland. Ik zat op de tweede rij naast Lotte. Zij droeg een donkerblauwe jurk en hield een klein plastic paardje in haar hand.
Jeroen keek ouder dan voorheen. Zijn haar was bijna volledig grijs geworden. Toen hij de rechtszaal binnenkwam, keek hij niet naar mij. Hij keek alleen naar Lotte.
Tijdens het voorlezen van de verklaring over de wurging begon hij opnieuw te huilen. De tranen liepen langzaam over zijn wangen.
Lotte boog zich naar mij toe.
„Hij huilt weer,” fluisterde ze.
„Ja.”
„Huilt hij om mama?”
Ik keek naar Jeroen. Zijn handen lagen plat op tafel. Op zijn rechterduim zat nog steeds hetzelfde litteken.
„Nee,” zei ik. „Hij huilt omdat hij eindelijk niet meer kan bepalen wat mensen geloven.”
De rechtbank achtte bewezen dat Jeroen Eva tijdens een ruzie had gewurgd en daarna had geprobeerd haar dood als een natuurlijke oorzaak te laten lijken. De rechter noemde het geen ongeluk, maar doodslag. Daarnaast werd hij veroordeeld voor valsheid in geschrifte, verduistering en het hinderen van het onderzoek.
Hij kreeg veertien jaar gevangenisstraf.
Marianne kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en moest een groot deel van het geld terugbetalen. Het geld van de klanten werd via de curator verdeeld. Jeroens bedrijf ging failliet voordat de laatste factuur was betaald.
Eva’s huis in Leiden werd niet verkocht. Volgens haar nieuwe testament kwam het uiteindelijk toe aan Lotte. Tot haar achttiende werd het beheerd door een onafhankelijke bewindvoerder. Ik verhuisde tijdelijk naar het huis om voor haar te zorgen.
De eerste maanden sliep Lotte met het licht aan. Ze wilde niet alleen naar boven en vroeg iedere avond of ik de voordeur wel op slot had gedaan. Ik antwoordde steeds hetzelfde.
„Ja. Twee keer gecontroleerd.”
Op een ochtend, bijna een jaar na de wake, stond ze in de keuken en zette twee kopjes op tafel. Eén voor haar en één voor mij.
„Mama zei altijd dat jij te sterke koffie maakte,” zei ze.
„Je moeder had gelijk.”
„Maar ze dronk hem toch op.”
„Dat deed ze.”
We zaten bij het raam terwijl een fietser met een natte jas langs de gracht reed. Aan de overkant brandde het gele licht van de buren nog, hoewel het al bijna middag was.
Lotte haalde het plastic paardje uit haar zak en zette het naast haar kopje.
„Ik ben niet meer bang voor de jurk,” zei ze.
„Dat hoeft ook niet.”
„Maar ik denk nog vaak aan die avond.”
Ik liet mijn hand naast de hare op tafel liggen. Niet erop. Ze moest zelf beslissen of ze die wilde pakken.
Na een tijdje schoof ze haar vingers tussen de mijne.
In de gang stond Eva’s oude blauwe broodtrommel op de kast. Ik had hem niet weggegooid. Niet omdat ik in geheimen wilde blijven wonen, maar omdat sommige dingen pas rust krijgen wanneer niemand ze nog kan verstoppen.
De waarheid had mijn dochter niet teruggebracht. Geen enkele rechtbank kon dat.
Maar op de dag van de crematie, weken later, stond ik naast Lotte terwijl haar moeder eindelijk naar haar laatste rustplaats werd gebracht. Er was geen haast meer. Geen dreigement. Geen man die bij de kist stond te controleren wie er keek.
Alleen stilte, regen tegen het glas en een klein meisje dat mijn hand vasthield.
Toen de deuren sloten, fluisterde ze:
„Nu weet iedereen het.”
Ik kneep zacht in haar vingers.
„Nu kan niemand het meer veranderen.”