Toen Daniel zijn acht maanden zwangere vrouw bewusteloos het ziekenhuis binnendroeg, smeekte hij de artsen haar te redden. Maar zodra Mia haar ogen opende, fluisterde ze iets waardoor de dokter onmiddellijk de beveiliging liet komen.

‘Mijn vrouw krijgt geen lucht. Ze is acht maanden zwanger. Help haar, alsjeblieft.’

Daniel van Dijk stormde met zijn vrouw in zijn armen de spoedeisende hulp van het Erasmus MC in Rotterdam binnen. Haar hoofd lag slap tegen zijn schouder. Haar donkere haar plakte aan haar voorhoofd en haar handen hingen levenloos langs haar lichaam.

Een verpleegkundige kwam met een rolstoel aangerend, maar Daniel weigerde haar neer te zetten.

‘Ze is in de badkamer ingestort,’ zei hij met gebroken stem. ‘Ik hoorde iets vallen. Toen ik binnenkwam, lag ze op de grond.’

‘Meneer, geef haar aan ons,’ zei de arts die inmiddels was toegesneld. ‘We moeten haar onmiddellijk onderzoeken.’

Pas toen liet Daniel zijn vrouw los.

Mia van Dijk, tweeëndertig jaar oud en bijna vijfendertig weken zwanger, werd op een onderzoeksbed gelegd. Een verpleegkundige controleerde haar bloeddruk, terwijl een andere haar aansloot op een monitor.

‘Bloeddruk 78 over 45,’ zei de verpleegkundige.

‘Zuurstof?’

‘Tweeënnegentig procent.’

De arts, dokter Eva Meijer, keek naar Mia’s bleke gezicht.

‘Mia, kunt u mij horen?’

Er kwam geen reactie.

‘We moeten ook de baby controleren. Waarschuw de gynaecoloog.’

Daniel stond naast het bed met zijn handen tegen elkaar gedrukt.

‘Gaat ze dood?’

Niemand gaf hem onmiddellijk antwoord.

Toen dokter Meijer voorzichtig Mia’s oogleden optilde, zag ze dat haar pupillen reageerden. Mia bewoog haar lippen, alsof ze iets probeerde te zeggen.

‘Mia? Ik ben dokter Meijer. U bent in het ziekenhuis.’

Mia’s ogen gingen een fractie open.

Haar blik dwaalde door de ruimte totdat ze Daniel zag.

Op dat moment veranderde haar gezichtsuitdrukking.

Ze probeerde achteruit te schuiven, maar haar lichaam gehoorzaamde nauwelijks.

‘Niet…’ fluisterde ze.

Daniel stapte naar voren.

‘Lieverd, ik ben hier.’

Mia begon heviger te ademen.

‘Niet… hem…’

Dokter Meijer boog zich dichter naar haar toe.

‘Wat zegt u?’

Mia greep met haar laatste kracht de mouw van de arts.

‘Laat hem… niet bij mijn medicijnen.’

Daarna verloor ze opnieuw het bewustzijn.

Dokter Meijer keek op.

Daniel had zijn handen laten zakken.

‘Ze is in de war,’ zei hij onmiddellijk. ‘Ze is al dagen niet zichzelf.’

De arts antwoordde niet.

‘Meneer Van Dijk, wilt u voorlopig in de wachtruimte plaatsnemen?’

‘Ik ben haar man.’

‘Dat begrijp ik.’

‘Dan heb ik toch het recht om bij haar te blijven?’

‘Op dit moment heeft uw vrouw medische zorg nodig.’

De verpleegkundige trok het gordijn tussen Daniel en het bed dicht.

Een paar minuten later vroeg dokter Meijer aan haar collega om de beveiliging te informeren dat de patiënt voorlopig geen bezoek mocht krijgen zonder haar toestemming.

Ze wist nog niet wat er aan de hand was.

Maar de angst in Mia’s ogen had ze duidelijk gezien.

En die angst had niets te maken gehad met de naalden, de monitoren of het ziekenhuis.

Die angst had een gezicht.

Dat van haar echtgenoot.

Daniel van Dijk was achtendertig jaar en mede-eigenaar van een vastgoedontwikkelingsbedrijf in Rotterdam. Op foto’s stond hij altijd in een perfect zittend pak, met een ontspannen glimlach en een hand op de schouder van zijn vrouw.

Hun huwelijk leek voor buitenstaanders bijna voorbeeldig.

Ze woonden in een gerenoveerd herenhuis in Hillegersberg, reden in een dure elektrische auto en verwachtten na zes jaar huwelijk hun eerste kind.

Mia werkte als zelfstandig interieurarchitect. Ze had haar eigen bureau opgebouwd voordat ze Daniel leerde kennen en stond bekend om haar rustige karakter en oog voor detail.

Ze had nooit veel belangstelling gehad voor zijn zakelijke wereld.

Daniel hield van grote bedragen, snelle beslissingen en mensen die onder de indruk waren van zijn succes.

Mia hield van oude huizen, boeken en de stilte van haar werkruimte.

In het begin had dat verschil hen juist dichter bij elkaar gebracht.

‘Jij herinnert me eraan dat niet alles te koop is,’ had Daniel ooit tegen haar gezegd.

Destijds had Mia hem geloofd.

Maar drie maanden voor haar ziekenhuisopname was er iets veranderd.

Daniel begon steeds later thuis te komen. Hij nam telefoongesprekken op in de garage en draaide zijn laptop dicht zodra Mia de kamer binnenkwam.

Toen ze hem vroeg of er problemen waren op kantoor, antwoordde hij dat hij onder druk stond.

‘Ik probeer een toekomst voor ons drieën veilig te stellen.’

Ze had hem niet verder ondervraagd.

Totdat hij op een dinsdagavond thuiskwam met een voorstel.

‘Ik wil dat je tijdelijk stopt met werken,’ zei hij terwijl hij zijn jas over een stoel hing.

Mia keek op van haar laptop.

‘Waarom?’

‘Omdat je zwanger bent.’

‘Dat was ik vorige week ook.’

Daniel glimlachte niet.

‘Je werkt te veel. De verloskundige heeft toch gezegd dat je rustiger aan moet doen?’

‘Ze heeft gezegd dat ik mijn bloeddruk in de gaten moet houden. Niet dat ik mijn bedrijf moet sluiten.’

Hij zette een glas water voor haar neer.

‘Mia, waarom maak je overal een discussie van?’

Het was de eerste keer dat ze zich werkelijk ongemakkelijk voelde bij de manier waarop hij tegen haar sprak.

Niet vanwege zijn woorden.

Maar vanwege de kalmte waarmee hij deed alsof haar mening geen betekenis had.

Een week later stelde Daniel voor om haar administratie voortaan door zijn financieel adviseur te laten verzorgen.

‘Dat scheelt je stress.’

Mia weigerde.

Daarop volgde drie dagen stilte.

Ze sliepen in hetzelfde bed, maar Daniel draaide zijn rug naar haar toe.

De vierde ochtend stond er een bos witte rozen op tafel.

Met een kaartje.

Sorry. Ik maak me gewoon zorgen om jou en onze dochter.

Mia legde het kaartje in een keukenla.

Niet omdat ze hem niet wilde vergeven.

Maar omdat zijn excuses steeds vaker kwamen nadat hij iets had gedaan waarvoor hij zich nooit echt verantwoordelijk voelde.

Twee weken later ontdekte ze iets dat haar voor het eerst werkelijk bang maakte.

Het begon met een telefoontje van haar boekhouder, Stefan de Groot.

Stefan was zesenveertig, werkte al bijna tien jaar met Mia samen en kende haar financiële situatie beter dan wie ook.

‘Mia, heb je onlangs een machtiging afgegeven aan Daniel?’

Ze hield haar telefoon tegen haar oor terwijl ze een ontwerptekening bekeek.

‘Nee. Hoezo?’

‘Er is een verzoek binnengekomen om de contactgegevens voor je zakelijke rekening te wijzigen. Daniel heeft daarbij aangegeven dat hij namens jou optreedt.’

Mia ging rechter zitten.

‘Dat heb ik hem niet gevraagd.’

‘Dan zou ik de bank bellen. Het verzoek is nog niet verwerkt.’

Diezelfde avond confronteerde ze Daniel.

Hij keek nauwelijks op van zijn telefoon.

‘Dat heb ik voor je geregeld.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik dingen makkelijker wilde maken.’

‘Je hebt mijn toestemming niet.’

‘Mia, het is administratief.’

‘Het is mijn bedrijf.’

Daniel legde zijn telefoon neer.

‘En ik ben je man.’

‘Dat geeft je geen volmacht.’

Een paar seconden bleef het stil.

Toen lachte hij kort.

‘Je praat alsof ik een vreemde ben.’

‘Dan moet je ook niet achter mijn rug om handelen.’

Daniel stond op.