Ze kuste haar dochter op haar voorhoofd.
‘Ik ben hier, lieverd.’
Een jaar eerder had ze in een ziekenhuisbed gelegen, doodsbang dat ze haar kind nooit zou vasthouden.
Nu stond ze in haar eigen huis, met haar dochter veilig in haar armen.
Niet alles was hersteld.
Er waren dagen waarop een onverwacht geluid haar nog deed schrikken. Dagen waarop ze moeite had iemand te vertrouwen. En soms voelde ze verdriet om het leven waarvan ze ooit had gedacht dat het voor altijd zou duren.
Maar ze hoefde niet meer te doen alsof dat leven werkelijk zo mooi was geweest.
Noor bewoog in haar armen.
Mia trok het dekentje iets hoger en liep naar de slaapkamer.
Op het nachtkastje stond een kleine ingelijste foto van haar vader.
Naast de foto lag een tekening die Iris voor Noors verjaardag had laten maken: twee figuren die hand in hand over een brug liepen.
Een moeder en een dochter.
Aan de andere kant van de brug stond een huis met licht achter de ramen.
Mia bleef er even naar kijken.
Daarna deed ze het grote licht uit en liet het kleine nachtlampje branden.
Noor sliep inmiddels diep.
Mia legde haar voorzichtig in bed, bleef nog een moment staan en streek het haar van haar voorhoofd.
Ze hoefde haar dochter niet te beloven dat er nooit meer iets ergs zou gebeuren.
Zo’n belofte kon niemand waarmaken.
Wat ze wel kon doen, was luisteren wanneer Noor later vertelde dat iets niet goed voelde.
Haar geloven.
Haar leren dat liefde nooit betekent dat je je eigen stem moet verliezen.
Mia trok de slaapkamerdeur bijna dicht.
Vanuit het bedje klonk nog één zacht zuchtje.
Ze glimlachte.
En voor het eerst voelde de stilte in huis niet als iets waar ze bang voor moest zijn.
Het was de stilte van een plek waar niemand haar meer het zwijgen oplegde.