Toen de ambtenaar Douglas vroeg of hij mij tot zijn vrouw wilde nemen, keek hij me recht aan.
‘Ja.’
Zijn stem was zwak.
Maar zijn antwoord was helder.
‘Met heel mijn hart.’
Ik voelde tranen over mijn wangen lopen.
Toen was ik aan de beurt.
‘Hannah, neemt u Douglas tot uw echtgenoot?’
Ik keek naar de man voor me.
Naar zijn grijze haar.
Zijn vermoeide gezicht.
Zijn trillende handen.
En ik zag alles wat we waren geweest.
Alles wat we hadden verloren.
En alles wat we nog konden zijn.
‘Ja,’ zei ik.
‘Dat doe ik.’
Lucas begon te huilen.
Een van de verpleegkundigen veegde haar ogen droog.
En toen werden we officieel man en vrouw verklaard.
Douglas keek me aan.
‘Mag ik mijn vrouw kussen?’
Ik lachte door mijn tranen heen.
‘Dat lijkt me wel zo gepast.’
Ik boog me naar hem toe.
Onze kus was zacht.
Voorzichtig.
Kort.
Maar in die paar seconden voelde ik iets wat ik mijn hele leven had gemist.
Niet omdat ik nooit gelukkig was geweest.
Maar omdat ik eindelijk een antwoord kreeg op een vraag die ik al eenenveertig jaar met me meedroeg.
Wat als?
Nu hoefde ik het me niet langer af te vragen.
De dagen daarna bracht ik bijna al mijn tijd bij Douglas door.
Soms praatten we urenlang.
Over vroeger.
Over onze leraren.
Over de vreselijke dates die ons ooit onder de voetbaltribune hadden gebracht.
Over de keer dat Douglas per ongeluk mijn fiets in een sloot had gereden.
Over de zomer waarin we bijna iedere avond ijs gingen eten.
Hij herinnerde zich dingen die ik allang vergeten was.
En ik herinnerde me dingen die hij nooit had geweten.
Op een middag vroeg hij:
‘Heb je ooit iemand anders liefgehad?’
Ik dacht even na.
‘Ja.’
Hij keek verrast.
‘Echt?’
Ik knikte.
‘Er zijn mannen geweest die belangrijk voor me waren.’
Hij glimlachte verdrietig.
‘Waarom ben je nooit getrouwd?’
Ik keek naar het raam.
‘Soms kwam het moment niet. Soms wilden we andere dingen. En soms was ik te bang om iemand dichtbij te laten.’
Douglas kneep voorzichtig in mijn hand.
‘Door mij?’
Ik haalde diep adem.
‘Gedeeltelijk.’
Hij sloot zijn ogen.
‘Het spijt me.’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Douglas, we hebben afgesproken dat we onze laatste dagen niet vullen met excuses.’
Hij glimlachte.
‘Dat is waar.’
Ik keek hem aan.
‘En jij? Was je gelukkig met Marianne?’
Hij knikte onmiddellijk.
‘Ja.’
Ik glimlachte.
‘Goed.’
Hij keek me verbaasd aan.
‘Goed?’
‘Natuurlijk.’
Ik streek over zijn hand.
‘Ik ben blij dat je niet veertig jaar alleen bent geweest.’
Zijn ogen vulden zich met tranen.
‘Ze zou je aardig hebben gevonden.’
Ik lachte.
‘Denk je?’
‘Ze zou waarschijnlijk hebben gezegd dat ik je veel eerder had moeten bellen.’
Ik glimlachte.
‘Dan was ze inderdaad een verstandige vrouw.’
Douglas lachte zo hard dat hij moest hoesten.
Ik hielp hem wat water drinken.
Daarna bleef hij een tijdje stil.
Toen fluisterde hij:
‘Ruthie, ik ben niet meer bang.’
Ik keek hem aan.
‘Waarvoor?’
Hij glimlachte.
‘Om dood te gaan.’
Mijn hart trok samen.
‘Douglas…’
‘Ik was bang dat ik zou sterven met die ene vraag in mijn hoofd.’
‘Welke vraag?’
Hij keek naar onze handen.
‘Of jij ooit van mij had gehouden.’
Ik begon te huilen.
‘Douglas, ik heb je altijd liefgehad.’
Hij sloot zijn ogen.
Een glimlach verscheen op zijn gezicht.
‘Dat weet ik nu.’
Op de twaalfde dag na onze bruiloft ging Douglas snel achteruit.
Hij sliep steeds meer.
Praten kostte hem moeite.
Soms kon hij mijn hand nauwelijks vasthouden.
Lucas bleef bij ons.
We spraken zacht.
We luisterden naar muziek uit onze jeugd.
Ik las Douglas voor uit de brieven die hij nooit had verstuurd.
Soms glimlachte hij.
Soms kneep hij zwak in mijn hand.
Op een avond vroeg hij me de blauwe sjaal te pakken.
Ik haalde hem uit de tas.
‘Deze?’